vrijdag 17 juli 2009

onweer


Snikheet, zoals ze dat noemen, zoiets als pikkedonker. Begin van de avond is het opeens zwaar bewolkt. In nog geen kwartier is er geen blauw hemd meer te bespeuren. De lichten moeten weer aan in huis en de klamme warmte wordt alleen maar drukkender. Na het eten kijken we met smart naar de hemel om te verzoeken haar wat regen te laten vallen boven de moestuin. Wat langgerekt gedonder in de verte, geen flitsen, en heel voorzichtig horen we hier en daar een druppel vallen. Te weinig om de straat nat te maken en de stenen zijn zo warm dat deze gelijk weer verdampen. Omdat er een balk in de broodoven is gezien met een flinke zwam erop met daarboven een natte plek in het hard-board plafonnetje, besluit Marc voor het donker nog even aan de boskant het dak op te gaan om te kijken of alle lauzes er nog wel op liggen. Met geen mogelijkheid kun je de staat van die kant van het dak zien vanaf de grond, dus even nakijken is geen overbodige luxe. Terwijl Marc klimt en klauterd met zware ladders, besluit ik het tonnelle-uitzicht iets te verbeteren door een Acacia-tak weg te snoeien met de stokzaag. Wel de diepte-werking van de tak, maar ook dat vrije uitzicht. De lucht is al iets geklaard en enigszins teleurgesteld over het weinige water dat viel voor de moestuin, kijken we naar het vallende duister. Het gerommel houdt aan in de verte, daar blijft het onweer schijnbaar hangen. Pipo blijft luid miauwend in de buurt en vraagt non-stop naar bevestiging of wij er nog wel zijn. Het gezwel op één van zijn oortjes (gegroeid vanaf dat Pipo in Frankrijk woont)is stuk gegaan tijdens zijn avontuur en we hebben nu de kans er even naar te kijken. Er is een grote hap uit, het bloed ruikt niet en hij schijnt nergens last van te hebben. Zodra het geheel donker is gaan we maar eens vroeg naar bed. De klamme zware warmte heeft ons moe gemaakt, bedden zijn verschoond en de afwas is gedaan. We spoelen alle klefheid van ons af onder een lauwe douche en wentelen ons in koele schone lakens.
Het gerommel komt weer dichterbij en de hemel laat zich verlichten boven het zware wolkendek waardoor het lijkt alsof de bliksems maar niet door de bewolking heenkomt. Gefascineerd kijken we uit het kleine slaapkamer-raampje. De wind zwelt aan en verkoelt ons nog meer terwijl de citroen-geranium in de vensterbank zijn geur loslaat en mee de kamer in voert. (we hebben geen muggen op de slaapkamer, behalve als ik vergeet dat eenvoudige plantje water te geven!) Het gerommel en gedonder is ononderbroken en komt steeds dichter bij. Een ruis doet vermoeden dat niet alleen de wind een rol speelt maar ook een geweldige bui. Het is altijd prachtig hoe je de buien én aan ziet komen en aan hoort komen. Al onze zintuigen worden geprikkeld door het schouwspel dat we vanuit het kleine raampje kunnen bewonderen. "God smijt met donder en bliksem" stuurde Marc me eens per sms toen ik in Nederland was en dit zou wel eens een herhaling van die storm kunnen worden. Het spetterd ook wat naar binnen, want de richting van de wind staat pal op de kopse kant van het huis. Pipo miauwt als geen andere kat kan en ik roep hem gerustellend toe. Alle ramen en de voordeur staan nog open (het onderluik is wel dicht) maar ik moet in dit weer echt naar boven om alles goed af te sluiten, we hebben beide geen zin om te dweilen morgenvroeg. Pipo en Cros neem ik boven mee naar binnen. Pipo is drijfnat, het deert hem blijkbaar nooit, die regen. Castel haar huisdeur is opengewaaid en ze is heel erg bang voor onweer, fototoestelflitsen en vuurwerk, dus die ligt met de oortjes plat op de stoep van het middenhuis. Ik stuur haar terug haar hok in, sluit alles af en duik terug m'n bed in. Van slapen komt niets, alsof het nog steeds ononderbroken gedonder en de verlichtte hemel het ons niet gunnen. De bliksem boort zich een weg horizontaal en gelaagd door de wolken en van tellen tussen bliksem en donder is geen sprake. Ze zijn er beide continu. Elke keer als we de bliksem zien, is ons zicht verdooft en kijken we een lange seconde naar een zwart gat. Gelijk daarna doemen de contouren van de bergen weer op. Alsof het dag is wordt de gorges steeds weer verlicht, de donderslagen lijken wreed en hard, alsof God echt flink boos is. Maar de regen is als lang gehoopte troost op het verdorde land. De wortels van de bomen zuigen zich vol en lijken een zucht van verlichting te slaken. Gulzig is de natuur opeens en wakker gemaakt door deze super-douche. De stroom ligt eruit, maar we besluiten dit pas weer aan te zetten als dit welkome natuurverschijnsel zich volledig ontladen heeft. ('s ochtends dus pas) We kunnen het slapen niet langer rekken en ondanks de herrie en de bliksemschichten zakken we toch weg in diepe rust.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen