maandag 20 juli 2009

Doornroosje

Er was eens een bosroosje dat met haar eerste roosjes er nog velen wist te laten groeien. Het broertje, de braam, nam er een voorbeeld aan. Gezamelijk groeiden ze op en van het één kwamen er nog vele anderen. Het bos is als 100 jaar geleden ingeslapen, overwoekerd, verwilderd. Zoals een bos kan zijn. Wij kenden zulke bossen niet meer. Hier zie je door de bomen het bos niet meer en soms is het een genoegen je daar in te begeven en stilletjes op de met klimop begroeide bosgrond te gaan zitten. Te luisteren en je ogen naar de kronen te richten en maar te kijken en te ruiken. Het bos te drinken en te bewonderen. De vogels te zien fourageren, op hun kop hangend aan de fragiele takjes om de kleinste insecten op te snoepen. De nog groene hazelnootjes te zien wuiven in de bries en de jonge tamme kastanjes, die al prikkelend genoeg zijn om ze met rust te laten. Geen stap kun je zetten om niet gepakt te worden door een taaien braamspriet of te blijven hangen in de stugge meidoorntakjes die met tientallen op de boomstronk groeien. Bosrozen, meidoorn, mispel (met doorns), sleedoorns, bramen, prunussen, acacia's en tamme kastanjes; ze maken van een bos een stekelig geheel. Naast de toch vrucht- en bloemrijke gedoornde planten en bomen wordt het geheel verzacht door de gladde hedera (klimop), varentjes, mossen en dichte ranken wilde clematis. Soms hier en daar wat wilde kamperfoelie en een kleine wilgensoort. Het bos is af met al die eiken, vlierstruiken, essen, cornus, berkjes, elzen, esdoorns, kersenbomen, hazelaars, populieren en brem. Met het vrijmaken van een gevonden appelboom waan ik me als de prins (ehm, prinses dan toch) die doornroosje moet zien te bereiken, waarmee ze het bos wakker kust. Ik vind geen ezel-schedel, maar wel een verwaarloosde vijgeboom onder een sprookjesachtig vertakte wintereik. Eronder ligt een wat vlak stukje helling met weer die bosroosjes (de meeste zijn verstokte bosrozen die tot in de toppen van de bomen zijn gegroeid en onderaan niet meer als roos herkenbaar zijn.) varens en grassen. Het lijken oude terrassen, met muurtjes verstevigd tegen wegspoelen. Met de kleine kettingzaag baan ik me een weg langs een ingegroeide muur, nieuwsgierig waar die muur naartoe loopt. Ik ontdek als een ware Indiana Jones ons eigen land en met een beetje fantasie kom ik zo die prins tegen in een ingestorte ruine, slapend en wachtend op die prinses in haar rode ketelpak. Die zwetend met een camouflage-pet op zich met veel kettingzaag-kabaal een weg baant om die prins met een kus wakker te maken. (och arme prins, misschien had ik die boze pad een pakkerd moeten schenken) Eigenlijk is dit winterwerk, maar we kunnen nu wel bij de appeltjes, de notenboom snoeien en vrijmaken van de clematis-ranken en hebben weer een platter stukje ontdekt dat best vrij te maken is om een weilandje te creeeren voor de ezels. Lieve Prins, je bent het bos en al die doorns, blijf maar lekker slapen, want je bent mooi zoals je bent.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen