Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur. Alle posts tonen

dinsdag 8 augustus 2017

naar je hart luisteren


Geen vertrouwd licht te zien nu de klappen en lange flitsen de regenslag vergezelt. Aardedonker alsof de regio ten grave is gedragen, mag verdrinken in het hemelwater dat koelt en koelt, het was warm als het voorgeborchte van een plaatselijk inferno.
Ik ben de oceaan met een onderstroom en logge brede golven zonder koppen. De maan trekt aan me sinds ik natuurlijke duisternis heb leren kennen met de hoorbare stilte. Ja, stilte heeft een eigen geluid. Het is anders dan het ruisen van je bloed, anders dan de pomp van de houtgestookte CV thuis. Het lukt me steeds vaker gedachten uit te zetten, om het geluid van de stilte te kunnen horen. Het is een zwart geluid dat stilstaat en leeg is, alsof het er niet is, het is er wel.
Ooit had ik het nog nodig de maan te zien voor ik erkennen kon dat ze vol was, en dacht ik haar sterker te ervaren met soms aureolen die bewegen als een nevel om de aarde. Nu is het de trekkende kracht die me wat dagen van te voren waarschuwt anders met die energie om te gaan. Een paar dagen maar, dat gekriebel, een extra zenuw, dat reptielenbrein wellicht die behoefte aan slaap doet afnemen, natuurlijke cocaïne, verliefd zijn zonder geliefde, een bestemming voor de liefde voor het leven. Hoogdravend bijna en veronachtzaamd door mens en meteo.
De maan moet steeds selectiever zijn en zij die haar kunnen ervaren lijken een bonus aan kracht te krijgen. ‘Ja zij, die haar durven aanzien.’

Moe van alles gingen mijn ogen voor het duister dicht voor een uur of vijf. Ik moet een plas en ga de regen in, onder het raam, spoelt wel weg met zuiver hemelwater zoals ook de slaap door diezelfde nattigheid van me afspoelt. Terug in bed zie ik de herinnering aan de dubbele draagbalken met purschuim ertussen, de strakke eiken parketdelen, een spinnenweb en de slapende vlieg. Gedachten gaan ook mee op de onderstromen van mijn oceaan, de maan trekt er wat boven het oppervlak uit. Een golfje op de stroom zonder puberaal te zijn brengt me bij m’n ezeltjes… En deze ene blijft net zo lang hangen tot ik besef dat er geen moeilijke emoties mee gepaard gaan. Ik dus best kan luisteren naar dit signaal zonder er lang bij stil te staan.
Ik kleed me aan, prop mijn sinds maanden ongesokte voeten in laarsjes die ik de dag ervoor uit de container van de gemeente viste. Mijn maat, waarom niet? Er zit nog heus profiel op. Trek over mijn vest een regenjas aan en start de auto die ik zonder lichten het terrein af weet te krijgen, ik wil niemand storen die in eigen dromen gevangen is of naar het weergeweld ligt te luisteren.
Dat astrologen over deze volle maan spreken als een ommekeer voor sommigen, transformatie die een nieuwe era inluidt. Het klopt als een bus, toch ga ik liever voorbij aan zulke uitgediepte zaken die men probeert met woorden over te brengen.
Ik wil mijn hoefjes graag zien, ze zijn er, ik heb een auto, ben wakker, kan gaan en naar mijn hart luisteren, vrij. De dertig minuten op de stille natte weg leg ik rustig af, gladde banden en geschrokken wild zullen mij niet in de berm doen belanden. Het is niet vreemd het bospad af te rijden, omlaag, wat omhoog, verder de kloof in langs bekende bomen die ik groet en raak met een gedachtenstraal.
Geen hond bij het hek, die blijkt in de natte plens op de deursteen te liggen van zijn slaapkamer. Te bang om op een houten open vloer te slapen in haar eigen villa, de schuurdeur dicht, waar ze anders in een hoekje kan kruipen met de isolerende aarde onder zich. Ik ken dat, gevoel van geaard willen zijn. Daarom zit ik graag op rots en steen, hout of gras, liefst niet gemaaid zodat ik een stengels plat kan duwen als een bedje.

Alleen de regen en in de verte de bliksemschichten, ik heb geen maan en heb het kleine lampje nodig dat ik meebracht. Ik ben geen dievegge, toch sluip ik, maak geen herrie met het openen van het hek naar ezelterrein. Loop het pad af, speur met het lampje naar de hoeven en anders de reflectie in de ogen van een van de katten. Niets, dan gedrup en krekels die in holtes de dag afwachten. Het is een uur of half vier.
In de stal maak ik alleen het varken wakker. Big is te slaperig om meer te zeggen dan een zacht ‘knor’, ik aai hem over de neus, ook hij weet dat het goed is. Ik kan niet zien of hij gegroeid is, maar hij ziet er verder goed uit. Check. Van de ezels geen spoor. ‘Miauw’ hoor ik zachtjes op de zolder van de kleine stal. Sjakie, de stalkater, wil weten wie er is, wat er gaande is, raar, zo midden in de nacht. Ik laat van me horen en onwennig en verbaasd laat hij z’n koppie zien tussen de platen en zakken die op de balken rusten en zo een hide-out zijn voor hem en de muizen.
Ik knuffel hem als hij op het bovenluik zit, als vanouds. Ik wil hem in het donker naar beneden dragen en struikel over het schrikdraad. De pen ervan prikt in m’n bil en een steen probeert zich te laten versmelten met mijn schouder. Door de punt ervan mislukt dit, Sjakie rent meters verder om daar klaaglijk te miauwen, sorry pluis. Het licht liet ik branden in de stal, het regent niet meer, de krekels zetten een tandje bij, ik loop terug om het kunstlicht te doven zo de maan juist wat gaten vindt me bij te lichten.
Ik blijf ze roepen, de slimme jongens die ik wat weken geleden in de steek liet. Zolang was ik bij ze dat ik me niet alleen hun moeder voel, maar zij zich aan mij hechtte als inmiddels volwassen kinderen. Je kroost in de steek laten is hoogverraad, mijn zonde schoon gewassen door lijfsbehoud, het is overal op de wereld oorlog, dan gebeurt dat en nog zonder eindoordeel, het conflict nog niet beslecht, Niemandsland.

De hond laat niet van zich horen, het onweer hangt nog in de lucht. Ze ruikt en voelt het op vele kilometers afstand, ik laat haar en ben blij dat ze niet aanslaat. Het zou hem kunnen alarmeren en ik ben hier enkel voor de beestjes, ze riepen me. Misschien alleen om me te laten horen, wat het zien en voelen overbodig maakt, dieren zijn basis, geen opsmuk.
Boven bij het huis roep ik de namen van de andere katten, zie of hoor er geen een, loop door naar het terras waar de deur openstaat, het onderluik gesloten is en twee gele ogen oplichten door het lampje. Sooty, de ooit zo schuwe poes, nu een parmantige dame die eerder panter is dan gewoon zwarte poes. Volle maan, ze is volledig nat van de regen, deert haar niet terwijl ze ook onwennig luistert naar mijn stem die haar naam herhaalt. Ze weet het weer, ik ben het, die ze een tijdje heeft gemist.
Het regent weer als ze me naar het overdekte zwembad volgt waar ik even met haar praten kan. ‘Het is al goed’ lijkt ze spinnend te zeggen terwijl ze me kopjes geeft en rond het pakzadel kronkelt dat op het droogbed voor kastanjes ligt. Mijn bed roept me al terug, geen ezels, een varken en twee katten, voor nu is het genoeg. Mijn adem zakt rustig terug als ik de afstand met het woonhuis vergroot, fijn om even op het terrein te zijn, voldoende, genoeg voor nu. Ik ben rustig, kalm, tevreden, het hart is gehoord.
Een toetje bij de auto die ik op het bospad liet staan; troostkater DQ, die geen seconde twijfelt aan wie ik ben en me begroet met een ongekend lange miauw die zoveel wil zeggen als ‘ik heb je gemist, laat me er even voor je zijn voor je weer weggaat’.
Ik doe het portier open en DQ staat al met opgeheven kronkelstaart op de zitting. Ik kruip erbij, laat de deur open en hem begaan. Na een paar minuten nestelt hij zich tevreden op schoot en kunnen we even praten. Ik leg hem uit, hij luistert en spint, duwt kop tegen mijn kin met de snorharen ver vooruit. De maan laat zich zien in volle glorie, beschijnt de auto, mij, de kop van de troostkat die zonder geluid te maken praten kan. Met moeite komt het over dat het nou eenmaal even zo moet, dat het gemis wederzijds is, dat er een ommekeer heeft plaats gevonden. Dat deze andere rust en basis ook goed is, anders, enkel dat. Te accepteren, geen andere optie. Hij kan, accepteren van wat is. Ik heb er nog moeite mee, ik kwam langs omdat ik dacht dat de ezels me riepen. Misschien alleen om me het gevoel te geven dat er niets verloren is. Dat de liefde, het vertrouwen en het nu het enige is dat er nu toe doet. Dat datgene dat ik achterliet blijft bestaan, ook tijdens zwarte nachten, eeuwig beschenen door de maan. Dat het een juist moment was mijn bed even te laten rusten en te luisteren naar mijn hart.

De terugrit leek de aanvang van een tocht naar Nederland, ik vertrok dan ook zo vroeg, de wegen leeg, de luiken dicht, geen tegenliggers. Weer doe ik de koplampen zo snel mogelijk uit als ik het terrein op rijd. Er waren geen herinneringen, geen emoties, er was wat er is.
Ik laat mijn ogen moe worden door middel van wat bladzijden uit een briljant debuut en slaap mijn tweede nacht van 5 uur.

maandag 10 juli 2017

Beestjes

In een bos wonen beestjes. Hele grote en vele kleine. Uiteraard 's zomers wat meer van die kleintjes en 's winters gelukkig een kriebelluwe periode om de eerste vlinder met blijdschap te begroeten en hopen dat de cicades niet de acacia naast het huis uitzoeken om te bivakkeren.
Ik ben altijd gek geweest op alle soorten dieren, ook die kleintjes. Op de mug en de wesp na voerde ik vele gesprekken met de 6-potigen als kleine meid in de gezamenlijke kruidentuin van het biologische moestuinencomplex waar ik mijn vader vaak vergezelde als hij de groenten ging oogsten. Mijn broer verzamelde insecten die hij met zorgvuldigheid op spelde in een verdiepte lijst met een glasplaat ervoor. Ik had er liever een babbeltje mee en fluisterde de beestjes waarschijnlijk toe dat ik later ook voor hen bloemen zou zaaien als ik ook zo'n tuin als papa had. Dan konden we verder kletsen, want pap z'n fietstassen waren vol en we moesten op huis aan.



Als kind wilde ik graag in een heksenhuisje in het bos wonen. Geen idee wat dat inhield, wel het plaatje van afgelegen, klem tussen de bomen met vogels en hertjes en muizen en vlinders en bijen. Ik denk dat het mijn moeder was of de realiteit zelf dat dat iets onwerkelijks zou blijven tot het onbevattelijke de realiteit werd die ik persoonlijk nog steeds niet bevatten kan. 
Terwijl ik schrijf, staan beide zware deuren tegenover elkaar open. Een malse zomerbui laat het bedwelmd ruiken, een zomerparfum dat niet in een flesje te vatten valt. Een flesje gecreëerd in Grasse. De kleine mugjes vallen pas op als ze steken, ze laten zich rustig pletten tussen huid en eelt op mijn vinger. De glimwormpjes gloeien fel groen op in de holtes en spleten van de stenen muurtjes rond het huis, soms flikkeren ze. De mannetjes kunnen wel vliegen, ze zijn zo talrijk dat ik het aan kan zien dat ze zich doodop vliegen naar het kunstlicht boven ons bureau. 
Dan woon ik toch 35 jaar later in een heksenhuisje klem tussen de bomen, met klaterend water, een dak niet van peperkoek maar van zware natuurstenen en beestjes die het aantal in dat kruidentuintje van toen overdreven overtreffen.
Uiteraard ook een keur aan minder prettige insecten. Niet enkel de mug of de wesp. 
De paar die me op volgorde van gruwelijk/eng/vies/vervelend naar net-te-doen opvallen; met stip op 1 de teek. Op 1 omdat het een parasiet is, ze er heel vies uitzien, ze gemene verdedigingstrucs hebben (wondjes, ziektes en allergische reacties) en het hele jaar door voor gruw zorgen, het altijd alert zijn. Op 2 alle steekvliegen. Waaronder dazen, (enorme paarden)horzels en de ergste de prikvlieg. Ziet eruit als een gewone vlieg. Geen huis- of strontvlieg, geen bromvlieg, maar een gewone vlieg, die steken kan. Fel en venijnig met een pijnlijk bultje nadien. Zijn we na jaren gewend aan de gewone vliegen die we vaak wel laten lopen op hoofd, arm en been, maar komen deze suckers de bocht om. Het verschil tussen steekvliegje en gewone vlieg is niet te zien. Op 3 de oogstmijt. God dank maar 1 periode per jaar; tijdens de oogst. Een enkeling die zich in het seizoen vergist, maar dat is te overzien. Vanaf eind augustus tot een eindje in oktober legt de oogstmijt zijn eitjes net onder de huid van zoogdieren en spuit een stofje in de huid om een tunneltje open te houden voor de larve die uit de huid moet kunnen komen om tot oogstmijt te transformeren. De stof om dat tunneltje open te houden jeukt verschrikkelijk bij mensen. Het is geen allergie of ziekte, het is een beet van de oogstmijt, ook een parasiet, gruw. Op 4 kom ik uit bij de muggen. 3 soorten die buggeren, de gewone, de kleine mugjes, wellicht die ondingen die ook in Ierland, Schotland en Scandinavie kunnen teisteren en de tijgermug. Ik sloeg er reeds 1 dood, dus weet dat ze hier zitten. Ik ben niet heel bang om er ziek van te worden, het is enkel een zorgelijke waarneming, "ook hier, gij tijgermug". Op 5 de dazen, horzels en andere soms zo stille sluipers die je tot bloedens toe prikken en zelfs je ezels te grazen nemen. Zoals die keer dat ik een groot nest verstoorde tijdens hun ontwaken middels de zachte zomerzon die later heerlijk fel zal zijn om het dennen-nectar op te sabbelen, dat is warm zoeter en zo vloeibaar, happy hour voor wespen, pure horror. Op 6, ik mag ze niet vergeten, de processierupsen die goed gedijen en in de enige den huizen op de oprit bij het ezelhek... Tja. Ik ben er alert op en iedere processie krijgt een behandeling gasbrander. Ik zeg er werk voor af, jaag de hoeven naar de stal. De kippen eten ze alleen als ze goed door gebakken zijn.
Later op 7 de gewone vliegen, omdat ze te talrijk zijn, overal en altijd. Ook de kleine vliegjes in het bos die afkomen op je transpiratie, al denk je niet te zweten, ze ruiken je toch. Doen niks, maar landen graag op lippen, oogrand, neus en in je oren. De nog kleinere mikken hun landing zo secuur dat ze direct op je ooglid landen, zoals we ze het bij de katten en hond ook zien doen.
(Insecten als hoornaars, wespen en zweefvliegen horen voor ons niet bij bovenstaand lijstje van de vervelende beestjes. Ze vormen simpelweg geen enkele bedreiging meer doordat we veel over ze weten.)


De eerste jaren hier, leek ik aanlokkelijk voor alle boven genoemde vervelende insecten, krabde mijn huid open, had maanden bulten, jeuk en rode vlekken. Ook stevige allergische reacties die ik met zalf en pillen van de apotheek dacht te kunnen bezweren. Niet dus, bleek weer wat jaren later.
De pracht en praal van de enorme biodiversiteit in dit gebied, het stuk bos waar we leven en in de tuinen die we hier hebben vorm gegeven naar vrij inzicht, doet die enge en vieze beestjes teniet. We tolereren ze, vinden ze gevaarlijk of voor ons volkomen functieloos en soms ook destructief. Voor de natuur, de tuin, in de voedselketen zijn ze onmisbaar. We onderkennen dat het 1 geheel is, onze keuze er intrinsiek onderdeel vanuit te maken. De verbondenheid met ook echt alle beestjes wordt steeds completer. 
Ook de last die we van de teken en dazen en muggen hebben wordt minder. De ergernis blijft, zeker die steekvliegjes, die laten zich niet doodslaan. Maar ach, ze doen maar, het deert niet zo meer.


Dit jaar is het jaar van de bloemen. Zelfs verwaarloosde bomen en struiken, alles bloeide en bloeit dit jaar uitbundig en lang. Ideaal voor mijn natuurapotheek maar ook voor de insecten, de beestjes.
Het begint natuurlijk vroeg met een bij op verkenningstocht tijdens een nog frisse maar zonnige februarimiddag. Of een citroenvlinder die een erg genoeglijk en warme overwinteringsspleet in de muur gevonden heeft. In het bos bloeit altijd wel iets, het hele jaar door. Longkruid, het stinkend nieskruid, wilg en hazelaar en andere subtiele bloeiers. Na lentebuien en wat zon in mei komt de eerste invasie vliegen. Wat in het bos leeft, leeft ook in ons huis en bijgebouwen. Ook de motten, liever noem ik ze nachtvlinders. Hun keur is verbazingwekkend. Misschien omdat ik buiten veel voor koolwitje aanzie, en zwart-witte vlinders als zwart-witte vlinders. Het is alles te divers om erop te studeren en te determineren, te vliegensvlug ze te fotograferen. Ik mis kennis, tijd en materiaal.
Bewonderen en genieten, me rijk weten ze allemaal te willen zien is me ook veel waard.


Uiteraard zien we de diversiteit ook veel terug in de moestuin. Een stuk bos op steil terrein dat we inventief gebruiken, in samenwerking met de aanwezige natuur, om ons te voorzien van groente, fruit, noten en kruiden. Niet alle beestjes zijn welkom voor de groenten, daarom een steeds meer uitgebalanceerd evenwicht met bloemen en kruiden. Dat juist ook weer mooie en andere insecten aantrekt, helpende pootjes waar we dankbaar voor zijn. Veel wilde bijen en andere bestuivende insecten. Veel vlinders, weinig rupsen tot op heden. De glimwormen blijven magisch, zeker als er een sluier mist op het terrein zweeft door de bui op warme aarde. Zilverwitte nachtvlinders landen op mijn arm terwijl ik foto's zoek van beestjes voor dit schrijven. Een mannetje glimworm, die niet glimmen kan, crasht letterlijk op zijn rug met gespreide vleugeltjes op m'n memo-blok. Krabbelt overeind en vliegt op voor de volgende crash elders. Een mugje druk ik dood zonder scrupules, een teek pluk ik uit kater Sjakie die zo op het bureau komt staan dat ik er goed bij kan, die is ook niet gek. 


De keur blijkt bijzonder. De soorten hommels, bijen, zweefvliegen, torren, kevers, vliegen, spinnen, rupsen, vlinders en die-met-heel-veel-pootjes is voor mij te veel. Dit geldt ook voor mijn ooit-inventarisatie in 2010. Met boeken en internet getracht alle soorten planten, bomen en bloemen, paddenstoelen, mossen en varens te benoemen. Geen doen, veel te veel. Laat staan insecten. Tot aan mieren en veenmollen toe, heel veel soorten. Sommige veelvraten en jagers zijn welkom en we hebben al veel ludieke verdedigingsmechanismes gezien. (zie; Sproeikever
Toch is het gezoem, getjilp, gefladder, de beweging en de kleuren en zelfs de reactie van insecten als je ze benadert nooit zonder effect. Ze zien en horen je, zijn ook mij gewaar. Want van elk insect zomaar een foto maken gaat zomaar niet. Hoe een mantis me observeert als ik probeer er foto's van te maken is opmerkelijk. Haast defensief keert het dier zich naar me toe, dit zonder werkelijk van pose te veranderen. Deze was verkleed als een graansoort, een aar tarwe en hing ondersteboven in de bloeiende koriander. Na een paar steken van veldwespen in 1 milliseconde en weken later een confrontatie bij een waterbak in de moestuin besloot ik het met hen op een akkoordje te gooien. Ik mag ook mijn gieters vullen voor de plantjes water te geven, wat hen weer van eten verschaft en ik zorg ervoor dat het water blijft stromen door voor de bron te zorgen en flexibel mee te gaan in de toenemende droogte en warmte van een veranderend klimaat door te letten op het watermanagement in dit kleine gedeelde biotoop. We delen, de behoefte en de zorg. 


De plakkende vliegenstrips blijven we gebruiken. De spinnen vangen niet alles weg. Ondanks sommige 8 potige waarvan je wel zou verwachten dat ze veel vette prooien vangen in een groot web. De kelderspinnen, zoals wij ze noemen, zijn enorm, met harige poten, een lijf in 3 stukken. Lopen razend vlug, we zijn elkaar gewaar, alles mee gezegd. Verder de ragfijne spinnen die je alleen kunt zien als ze al een paar centimeter groot zijn. Als van glas, maar het kleine eivormige lijf gaat toch opvallen. De kleintjes die in de muren wonen, op het ruwe graniet met het grove oude voegsel is spinnen rag onzichtbaar. Alles dat in het bos woont, woont hier ook binnen.
Daar moet je trouwens tegen kunnen, in elk seizoen wel een soort invasie. Midje winter heb ik steevast 1 mug in de slaapkamer die zo wijs is pas op jacht te gaan als ik al in het centrum van dromenland ben waar ik metaforisch me laaf in de vrije oase van rust met utopische voeding en het leven van de liefde. De paar weken erop zal ik het weten zo diep in dromen verzeild te zijn geraakt dat ik dat onding met vleugels niet heb opgemerkt. 

Met ons kunstlicht brengen we insecten natuurlijk ook in verwarring. We hebben witte doeken gespannen tussen de balken. Om het lichter te hebben in de woonkeuken c.q. salon en iets van isolatie. Met de lichten aan trekt dit nu, met ramen en deuren open, heel veel soorten insecten. Tot aan een soort juffers aan toe. Motten of nachtvlinders, rond spinnende vliegjes en ook kruipers zijn van de partij. Dat lokt gelukkig ook rovers zoals de vleermuis. Er woont een klein gezin onder het dak. Altijd bescheiden gebleven in aantal. Net als dat de hagedissen en slangen hun plek hebben & kennen. Daarom is 5 katten voor hier ook meer dan genoeg. (Getuige gelukkig ook het aantal en de diversiteit van vogels in het bos en rond het huis.
Als ik 's avonds laat nog achter de computer zit met 1 lamp aan, komt er regelmatig een een rondje of wat door de kamer vliegen. Zelfs achter de paal langs die het bureaublad ondersteunt en dus ook vlak voor mijn neus de bocht maakt. Ik buk niet, weet dat het dier z'n sonar heeft. Ik kan het soms zelfs horen, een fenomeen dat in je hoofd plaats heeft, je weet dat het van buiten komt. Via elk oor komt hetzelfde binnen, de trilling wordt gecentreerd in en door je hersenen waar genomen. Het is en blijft een rare gewaarwording ze te horen. Ik laat ze, het is leuk om de ruimte te delen met hele andere wezens en toch mijn eigen comfort zone te kunnen behouden.


woensdag 14 juni 2017

Lekker weer?

Vandaag wéér hitte dealen & verdrogende grond.
deze mist belooft de hitte van de dag
 We zijn eraan gewend; al die maatregelen om de warmte enigszins op afstand te houden en rekening te houden met een verdrogende aarde en dus een bron die steeds minder water geeft. 
Alle ramen, deuren en luiken dicht, 's middags niet naar buiten, op tijd beginnen met de tuin sproeien, kort, 5 minuten per vak, om dan 4 uur te wachten tot het reservoir weer vol is. Alle klusjes voor 11 uur of na 17:30, dan is de zon weg. 
Toch is het onmogelijk een normale hap lucht te genieten. Het is te dik en lijkt warmer als je longen zelf zijn. Ledematen voelen zwaar, bewegen moet een stukje trager, ademen bewust en als ik dan wel wat 'moet' doen, dan ook bewust die poriën maar open houden. Zweten lijkt een gave, niet iedereen kan dit. Irritant was het ooit; die druppels die letterlijk van het lijf vliegen bij de geringste inspanning. Maar het went alleen het omschakelen na winter en lente duurt een paar dagen.
Ook geleerd dat de locals hetzelfde doen. Net als dat je logischerwijs de weg niet op gaat -voor werk of boodschappen, al helemaal niet voor de lol-, als er sneeuw ligt. Als men dan zo nodig toch moet is zonnehoed of pet een soort verplichting en bedekkende kleding.

De moestuin doet het bijzonder goed tijdens deze hitte. Toch vraagt alles ook extra zorg en zeulen met gieters daar waar de sproeier niet kan komen is een tijdrovend klusje met de immer aanwezige zorg; die bron. Er blijken geen experts te bestaan, het systeem uniek en vermoedelijk toch een lekkage, scheur in het reservoir, een splitsing van de bron boven het reservoir of erger; de bron is stervende. (Door klimaatverandering?)

De hond eet amper en is ook tussen 11 en 18 uur niet echt actief te krijgen. De kippen zijn loom en blijven vrijwillig liever wat langer binnen. Sommigen hebben geen lust om het dagelijks ei te produceren. Katjes blijken het best te vinden en strekken zich voor pampus uit onder de auto of elders in de schaduw. Ook 's Avonds is de warmte nog aantrekkelijk. Dan wordt er lui gelegen op de nog warme stenen. 's Nachts is het poezige spul zeer actief, zat te doen, muizen te over en die indringers natuurlijk. Big lijkt het allemaal niet te deren. Gelukkig denkt hij dat hij een kleine ezel is, blijft bij hen in de buurt. Die schuilen in de koele vliegvrije stal tussen midi en 19 uur. De ezels laat ik 's ochtends soms vrij op de hellingen onder het huis. Daar kunnen ze mals groen eten tot ze knappen en hebben ze de vrijheid naar een stalletje terug te gaan. Op echt rotdagen, met temperaturen van 30+ in de schaduw en geen zuchtje wind, kun je de klok erop gelijk zetten dat ze binnen uit gaan buiken, waarbij varken Big eerst in de drinkbak gaat staan om het verhitte lijf te koelen.
Jaja, dieren hebben hun gewoonten op een verstandige manier. Hun natuurlijk habitat laat ons zien dat ook de mens zou moeten schuilen voor de zon, net zoals voor ander (nood)weer. We volgen hun goede voorbeeld.

Lekker weer is geen lekker weer. Weer is weer. Je kunt je ertegen weren.
hoeven hoeden op de vroege ochtend
want de rest van de dag is het te warm om hen aandacht en zorg te geven

maandag 10 april 2017

Observaties


Sleutelbloem
Ze staan er om en om te wuiven in hun rozet van bladeren op de taluds die de wegen scheiden van de weilanden. Thuis zijn ze al uitgebloeid. De oogst van vorig jaar met nat weer geplukt, dus het drogen van de bloem die zo lekker is in pannenkoeken was verloren aan de schimmel. De wind is niet zo fris meer, de zon schijnt fel, het gevaarlijke aprilzonnetje. Er glipt een kleine slang weg die op een open plek in het gras lag wakker te worden. Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor het storen. Ik pluk maar een tiental meters sleutelbloem uit het gras met paardenbloemen. Mijn hand gaat ernaar geuren, of het is de tas die onder mijn neus bungelt, al snel vol genoeg, voldoende. Voor in de kruidenthee.


Bij & Brem
Nu de kippenren een feit is, is het pluimvee gedwongen zich te begeven op het oude terras boven achter de schuur en richting het oude zwembad. Marc heeft koste nog moeite gespaard achter de schuur een nette goot te maken voordat de dakplaten erop gingen. Die goot schoon maken van zand, tak, eikels en blad nis nooit makkelijk geweest. Echt loopruimte is er niet. Ik klem mezelf tussen rotswand en dakstenen en platen om tussen mijn benen door acrobatisch met veger en blik boodschappentassen te vullen met wat ik er aantref. De kippen graven en graven maar. Ook op die rotswand boven de schuur. Plok, tok, boink, pats. In no time ligt die goot vol met veel zand, erg veel steentjes -die pokken harder op de dakplaten- fiksere takken en het blad en de eikels lichting 2016. Dit keer 6 boodschappentassen vol die ik getrouw terug naar hun ren sjouw. Wel zo ver dat ze diezelfde lading niet weer naar benee kunnen harken. De rotshelling biedt ook ruimte aan mos, plantjes en premature eiken. En één bremstruikje dat dit jaar voor het eerst bloemen heeft. Niet voor ons dat struikje daar. Wel voor de kleine Bij die ik ontwaar tijdens een korte pauze van dit stoffige rotsklusje. Ik kijk hoe Bij van bloem tot bloem vliegt. Leer het verschil tussen 'al bezocht' en 'nog niet bezocht'. De laatste zijn maar voor de helft open, de half gekrulde meeldraden met hun oranje voetjes zijn nog niet zichtbaar. Bij weet hoe het moet. Gaat bovenop de onderste bloemlip zitten, trappelt met zijn achterste pootjes op de 2 nauw op elkaar aansluitende bloemblaadjes en  poeff de bloem springt open en de meeldraden flappen eruit met de oranje stoffige voetjes op de rug van Bij. Bij lijkt te bedanken voor hij verder vliegt.
Ik peuter ook met twee heel kleine stokjes op de bloembladeren... niks. Ook met mijn vingers krijg ik het enkel met voor de bloem grof geweld voor elkaar deze de meeldraden te laten tonen. Vernuftig is Bij.


Vinken
Ik weet dat ook vogeltjes in de lente op hol slaan. Ze sloven zich uit, houden poetsen-lokroep-poetsen-lokroep uren vol, aan 1 stuk op 1 en dezelfde tak. Vooral de koolmees laat zich zo zien. Hij keurde wel de nestkast af. Die hangt hier al jaren, hoog, veilig en beschut. Maar de vogeltjes hebben er geen zin in. Misschien omdat moeder natuur ook voorziet in zat andere mogelijkheden voor uitbreiding.
Onbezonnen als ze nu zijn, vallen er soms wat ten prooi aan onze katten. De vinken maken het erg bont. Die zijn zo strijdvaardig de beste dame te veroveren, dat ze elkaars territorium terroriseren wat vorige week bijna uitmondde in de aanvaring met een mens. Te zeggen, ikzelf. Ik zag ze net op tijd in mijn ooghoek, want al dat gekwetter in een zonnig ontwakend bos overstemt veel. Dook weg en die vinken leken mij niet eens te hebben opgemerkt. Met elkaar al vliegend op de vleugel. Sarko draait ook de oren en kijkt omhoog. (Niets ontgaat hem, Ollie, z'n maatje, is de dromer.


Vlinders
Onvoorstelbaar veel dit jaar al. Een enorme diversiteit. Ongestoord door de vele andere kleine vliegers dartelen ze ongemoeid van water, naar hout, naar bloem en warme steen. Ook met gemak tussen de in de lucht graaiende kattenklauwen door. Er sneuvelde wel een koningspage in de emmer met zeep en nog af te wassen cakevormen. Een rotklus. Terwijl we even buiten op het terras zitten zien we weer een koningspage op en later in die emmer vliegen. Een ingezeepte vlinder. Afspoelen of niet. Ik zet het gedoopte insect op de rand van een stenen bak. Daar hopen we dat hij schoon is opgedroogd zonder ernstige schade. De zeep is gewone groene zeep, we zullen het nooit weten. Er vliegen er gewoon te veel van rond.
Ook tijdens een rustmoment met boek en schrift met de voeten in de bergbeek, zie ik ze ruzie maken in vlucht, ik zie bijna wolkjes vleugelstof. Oranjetipje vs. Citroenvlinder.

https://www.afanja.nl/lichtlijnig/
Zweefvlieg
Ze zien er een beetje uit als wespen, prikbeesten dus. Maar het verschil is enorm groot en heel makkelijk te zien. Voornamelijk door het zweven, als helicoptertjes. Ze zonnen graag en zeker als er in de buurt ook water is, en wat te eten. Ze landen vaak op mensen. Vingers hebben hun voorkeur, overzichtelijk oppervlak, ready to take off. Maar als je ze laat gaan ze uitvoerig met hun zuigstampertjes je huid af. Zout, denk ik. En anders is het toch rommel voor m'n vingertop en iets te nassen voor de kleine zwever.