Korte Verhalen

Op deze pagina kunt u mijn korte verhalen lezen, die als log de 1000 woorden overschrijden.
Voor u, om ze op een ander moment bij de hand te hebben.
Voor mezelf als bundeltje. 
©2008DeOnzichtBareBrug




Reisverslag; Roadtrip 2015
Fijn te ervaren dat hoe langer ik in Frankrijk woon, in dat altijd prachtige gebied in een isolement, hoe meer vrienden ik krijg. De meesten komen mijn leven binnen wandelen tijdens het delen van het mijne, op sociale media en hier. 
Meestal komen de excuses om een rondje vrienden te rijden precies goed uit, kan ik er ruimte voor maken. En omdat de Vlaming en Nederlander in Frankrijk gewoon moeten werken, val ik hun dagelijks leven binnen wat me bijna altijd na een paar uur tot dagen op een schopstoel zet. De reden dat ik nooit lang ergens blijf plakken om verder te reizen. 
De Blauwe is een 2e hands die we de afgelopen jaren steeds meer modificeerden naar onze wensen. Een huis op wielen met 2 slaapruimtes, watertanks met kraan en doucheslang, extra dieseltank, een koelkast met vriesvak, een omvormer, zonnepaneel, veel kisten en kastjes, tafel en stoelen, een 2-pits gasfornuis, een spiegeltje voor haar en een spiegeltje voor hem, dit in de bovenkastjes met een lampje erboven om je toilet te maken. Ook een fijne geluidsinstallatie die me af kan leiden van de zangtoon van de motor en de vaak belemmerende dromerijen. 
Ideaal om met eigen huis op pad te gaan, de slak voelt zich namelijk fijn bij niet veel meer dan 80 kilometer per uur. Om een fijne tocht te maken van ruim 1650 kilometer vertroetel ik de wagen voor ik vertrek en extra na thuiskomst.
Na een korte inspectie heeft ook DQ zijn plekje al gevonden.
Maar hij mag niet mee.

Kijken hoe dat luifeltje op en af moet...
Zenuwachtig werd ik van de voorbereidingen. De Rode staat op mijn naam, een soort 2e liefde, dat vale lompe geval op een verroest chassis. De Blauwe (Def Expedition Camper) daarentegen, op Marc's naam, heeft nogal wat ins en outs die regelmatig geoefend moeten worden, nagekeken en aangevuld. Water in de tanks, blijkt wat aangekoekt op de bodem van beide tanks en dus gespoeld en weer gevuld. Hoe werkt dat luifeltje nou ook alweer om tijdens overnachtingen in de regen iets meer bewegingsvrijheid te hebben?

Maandag na de lunch kan ik de afwas laten voor wat hij is en vertrekken. Bij ons is het al groen, helemaal groen. Het doet haast zeer aan de ogen na maanden zo somber en donker met het haast lichtgevende korstmos. Grasmuur en vergeet-me-nietjes, paardenbloemen en stinkende gouwe geeft al zoveel kleur. Boven op de plateaus is het nog kaal op de bloesem van de sleedoorns en wilde kersen na.

De eerste etappe is een dik uur naar Aurillac, de dichtstbijzijnde stad van formaat waar ik goedkoop kan tanken. Kattengrit voor #5, eten voor de kleine, de beloofde fles whiskey, belofte maakt schuld. Ik ben licht nerveus. Op de valreep beslist dat ik op zoek ga naar het abattoir waar onze gewone roze vleesvarkens normaliter geslacht worden om te vragen of ze ook Mangalitas 'doen'.
Op internet vond ik geen huisnummer, dus wordt het rondjes rijden in een enorme 'zone industrielle' en speuren mijn ogen naar de namen op de bedrijfspanden, of hekken, of bordjes.
De vleesfabriek, een smerig en beladen woord voor mijn gevoel, blijkt enorm te zijn met een hek om het grote terrein waar rechts de veewagens gelost worden en uiterst links een fabriekshal, er tussenin kantoren. Het is een akelig gebouw. Vooral door de donkere wolken die weinig goeds beloven en de twee veewagens die gelost gaan worden en richting slachterij manoeuvreren, krijgt het gras tussen de parkeervakken een onwerkelijk groene kleur. Zelfs de madelieven en de paardenbloemen staan er misplaatst.
Ik begreep vegetariërs al goed, blij dat we onze varkentjes altijd dronken voeren voor we ze laten slachten. De slagboom is dicht, ernaast een hek voor voetgangers dat gelukkig geen intercom bevat en open staat. Maandagmiddag, er staan maar een handvol auto's op de parkeerplaats en ik zou bijna pleinvrees krijgen van het te bewandelen asfalt naar de trappen die naar het kantoor leiden.
Er zit een tandeloos vrouwtje op de trappen. Een hygiënisch mutsje op en dunne rubber handschoenen die een sigaret vast houden. Ze zegt me gedag, haar voortanden ontbreken. Voor zulke specifieke vragen moet ik binnen zijn. Ze legt me de weg uit naar het kantoor en geeft me 2 voornamen mee aan wie ik mijn vraag over Mangalita varkens kwijt kan. In reiskloffie bestorm ik de trappen en duw een anonieme deur open waar ik op een kleine dame stuit die bevreemd kijkt.
Wederom stel ik mijn vraag en onbegrip komt boven drijven. Ze loopt een kantoortje in en begint te smoezen terwijl ik kijk naar de open ruimte achter de balie waar druk gewerkt wordt, terwijl ik heimelijke ogen op me voel. Blond, casual gekleed in hemdje en sportieve broek en nog gebrekkig Frans ook, vreemdelinge, die komen altijd met heel vreemde vragen.
Een stoffig heerschap in geruite bloes met baard komt naar me toe met vragende ogen. Wederom doe ik mijn verhaal over varkens die een wollige vacht hebben en of ze bereid zijn de dieren te slachten. Zijn ogen worden groter, het vraagteken in een ballonnetje boven zijn hoofd ook. Ik vraag of hij internet heeft. Dat helpt, hij troont me mee het bedompte kantoor in waar een nog veel ieler vrouwtje hem gezelschap houdt in een wanorde van papieren en mappen. Wat kunnen sommige mensen toch kleurloos treurig zijn, al zal het bedrijf zelf er wel aan bijdragen...
Google Image helpt me mijn vraag beantwoord te krijgen. Zijn hoofd buigt zich voorover tot met de neus haast op het scherm om een fraai afgebeeld exemplaar van deze toch zeldzame spekvarkens te bekijken. "Oh la la...." komt er uit de baard. Het iele vrouwtje komt schielijk achter haar bureau vandaan om ook een kijkje te nemen.
Schapen worden gevild, maar die hebben dan ook geen dikke speklaag. Wolvarkens staan juist bekend om die dikke speklaag en de diepe smaak van het vlees. Villen valt dus af. De harige wol verwijderen zal zeker meerwerk zijn en dus sta ik nog geen minuut later buiten met een probleem dat oplossing verdient. Ik ga namelijk een katje halen bij mensen die ook wolvarkens hebben voor het vlees. De zeugen hebben kleintjes. Dit van nature Hongaarse varken is onbekend en maakt onbemind voor de recht toe recht aan denkende mens. Missie 1 geslaagd, maar een volgende gerezen.

Ik verlaat het pand en loop in een startende stortbui opgelucht naar de Blauwe waar ik etappe 2 invoer; Facebook-vrienden die ik nog niet eerder de hand kon schudden. (Meestal zijn die eerste ontmoetingen aller hartelijkst.) Weer auto-entrepreneurs, ZZP-ers dus. Einde van de middag daar en de dag erop niet te laat weg. Er moet gemetseld worden bij een klant en voorbereidingen getroffen voor de stroopwafels die op de markten verkocht worden samen met andere Hollandse specialiteiten uit de oven.
Moedig is het om alles achter je te laten en je geluk te beproeven in een ander land. Hard werken en rond zien te komen, ze gaan maar net hand in hand. Het is een kwestie van schrapen, want enkel de succesverhalen blijven hangen. Het gewone leven wordt vergeten en nee, het is niet enkel Lavendel & Wijn. Even bijkomen, nader kennis maken, bord op schoot, Nederlandse televisie en het dichtbij 2 enorme paarden staan. Ontzag heb ik voor de dieren, angst voor hun kracht ook. Pittige dames op enorme hoeven, wat zijn onze ezeltjes dan klein!

Oxalis
Etappe 3 brengt me dinsdag een 3 uurtjes verder noordwaarts. 
De tocht door een schitterend landschap dat nog niet veel groen heeft, bossen, weilanden, boerderijen en lieflijke huisjes, de Puy de Dome ontvangt me genereus met zon en bries. Op de bochtige wegen is het makkelijk een pad de bossen in te vinden voor een korte pauze. Een lesauto voor me irriteert enorm door voor en in de bochten opeens te remmen op de motor, het triggert mijn blaas. Een Defender rijden van dit kaliber is gewoon hard werken en een plas plegen doe ik graag op een mooie plek. Het zware geschut met dieselmotor kan lukraak een klein bospad in schieten en letterlijk verdwijnen. Dat brengt Marc en mij altijd op de meest mooie plekjes die bewonderen en je op zo'n moment een gelovige kan doen maken. Het dennenbos dat zich ervoor leent is stil met een groene bodem met witte bloemetjes, Oxalis.
Verheugd over het feit dat ik eindelijk Bram en zijn boeltje kan zien rijd, ik de Blauwe plompverloren zijn pelouse op. Jura is blij me weer te zien. Het weerzien is warm, een apero gaat er wel in en de vis-salade met scampi's een ware verwennerij. Hij stond na wat maandjes contact op facebook van de winter op de stoep met zijn hondje. Dat heeft ons veel goed gedaan. Nu kan ik eens zijn kant op toeren om wat terug te doen; Het hem naar de Cote d'Azur brengen om zijn gekochte auto op te halen.

Vrienden kunnen elkaar veel zeggen, zo niet alles. Ik krijg een rondje en uitleg, mag Mister Ed Indi-Redney aaien en als antwoord op mijn opmerking dat zo'n dier zo'n mooie kont heeft briest hij genoeglijk. En ik maar denken dat ezels slimmer zijn.

Indi-Redney

De kok
Een fijn weerzien. Dus maken we het laat, comme d'habitude. De kleine uurtjes zien we niet eens groter worden, Aberlour is een tijdloos goedje evenals de gesprekken die de essentie raken, niet altijd leuk, en van de lachsalvo's zal ook daar niemand last hebben gehad, dit bij gebrek aan buren.
Na flinke inname slaap ik nooit lang, zeker niet in een vreemd bed. Is de inname van goede kwaliteit, dan volgt enkel een brak gevoel vergezeld van enige weeigheid ter hoogte van de maag. 'Anti-kater' zou het leegdrinken van het nog half volle glas whiskey moeten zijn, dat net zichtbaar tussen de rommel op tafel staat, dat laat ik maar aan mijn gastheer over. (Broodje aap, dat anti-kater middel, bleek later op de dag.)

Etappe 4 is nog eens anderhalf uur verder richting noorden en terug. 
Omdat onze Cros een gat liet vallen in ons kattenbestand, is er plaats voor #5, nooit een vervanging voor de Koning der Katten, maar toch. We rijden naar La Charviere met Jura nog even voorin bij de baas en een lege kattenbench vastgezet onder een band waar de slaapmatjes onder vast liggen. Een erg leuke mini-camping en boerderij, waar we hartelijk ontvangen worden. (klik de link voor meer informatie)
De eerste kater die ik zie is een rasechte Main-Coon. Het statige lieve dier zit de rest van de middag in de kersenboom op het terras, hoog, droog en heel veilig tegen de onrust. Want de hond van La Charviere is op slag verliefd op Jura en laat haar geen seconde met rust. Besloten wordt dat Jura in de auto mag verblijven. De hond blijft om de Blauwe heen lopen om wat later op de middag er naast te gaan liggen, zwijmelen meer?
Onze kleine aanwinst laat zich niet zien. Ik ga het oude hangbuikzwijn begroeten, aai de geitjes en hoor hun ezeltjes. 
En ze zijn groot, die Main -Coon katers!
Helaas vaak te veel door gefokt, waardoor gevoelig voor ziekten.
Een kleintje is ook handel, niet goed.
Red de boerderijkatjes!!!
In afwachting op het verschijnen van de 10 weken jonge pluis op kattenpootjes gaan we de wolvarkens en hun biggen zien. Bram is verkocht, ik ook. Het oervarken dat zijn herkomst kent in Hongarije is afgelopen eeuw zeldzaam geworden. Nu begint langzaam de herontdekking van deze dieren. Omdat ze biggen hebben zie ik 2 van deze dieren heel graag ook bij ons. Ze zouden hier passen, horen, een soort must. Maar het verhaal hoe en waar ze te laten slachten blijft even een aparte missie. De kleintjes zijn nog te jong, er is nog tijd om te informeren. 
Het is een idyllisch vakantieoord. Al die dieren die er door en met elkaar samen leven, de rust die hoort bij een boerderij aan een doodlopende weg, het huis en bijgebouwen. Een plaatje, een paradijsje zoals het onze. Maar nog altijd wat brak, gaat de uiensoep met brood en wat kaas (en water) er goed in voor de terugweg om ons op te maken voor de volgende etappe; De Roadtrip.
Een Mangalita varken

Is het geen schoonheid?

De echte jonge biggetjes hebben de streepjes als van een wild zwijnen jong.
Deze verdwijnen na een paar weken.

Zijn ze OER of varken?
Inmiddels is het katje wakker geworden. Vermoedelijk na een slaapje op de hooizolder. Het loopt met het staartje omhoog zo mijn armen in en laat zich gewillig in de bench zetten. Hij zet het op een spelen en is zich niet bewust van wat er gaat gebeuren. Moederpoes gaat gelijk dwalen, op zoek naar haar laatste uk. Terug naar Bram zijn Franse rommelboerderijtje zie ik een onbekend stukje Frankrijk. Glooiende velden en weilanden, houtwallen en kleine plukjes bos, alles nog kaal. Saai, zou je kunnen zeggen. Maar deze Nederlandse vindt haast niets saai aan Frankrijk, zelfs de graanschuur tussen Parijs en Lille hebben zo iets bekoorlijks over zich. 
We halen een pizza een kwartiertje van zijn stek af en ploffen moe aan tafel naast de flinke kachel, Jura in haar stoel ernaast, wij mensen op de harde stoeltjes, katje op tafel. Met mijn mond vol praten we bij met mijn thuisfront terwijl de telefoon op spieker op de rand van een schaaltje leunt. Dit terwijl katje-lief zich tegoed gaat doen aan pizza in plaats van de brokjes in een kopje. Jura is content met haar eigen plek, de kleine is zover nog niet en houdt het op een slaapje op een stoel. Wij gaan verder waar we de nacht ervoor ophielden. 
De kleine uurtjes zijn gearriveerd, wetende dat we om 6 uur in de ochtend willen vertrekken. Wat al niet meer gaat lukken. De Blauwe behoeft nog wat extra spullen die Bram en Jura nodig hebben, Indi moet nog extra water krijgen en de grote weide. 
Ik wist niet dat ik zoveel discipline had er om 10 over 6 naast te staan om om 8 uur etappe 5 te starten.

Etappe 5 is een pittige van minimaal 639 kilometer naar de Cote d'Azur waar Bram een oude Mazda MX5 gaat kopen van een liefhebber die er toch afstand van wil doen. Volgens de routeplanners, die ervan uitgaan dat je voertuig 130 kan, zou de afstand in 6 uur te overbruggen zijn. Maar ik weet beter en alleen maar peage rijden is zonde van de roadtrip. Alles is goed voorbereid en het reisgezelschap heeft er zin in. Voor mij hoort kamperen bij de Roadtrip. Bij iemand logeren zou de Blauwe ook tekort doen na zoveel kilometers. Zo'n auto moet met je mee zwoegen, dat doe je samen met je drager. Voeger paarden en ezels, nu onze Blauwe.
Deze donderdag is ook mijn verjaardag. Met het katje dat voorlopig de naam Zen draagt, hondje Jura en een slaperige Bram start ik de motor en draai de kronkelige smalle weg op die extra verlaten lijkt. Mijn reisgenoot stoort zich minder aan het piepende gemiauw van de kleine die nog nooit opgesloten heeft gezeten en verwoed pogingen doet aan het traliehekje van de bench te ontkomen. Bram koopt wat broodjes terwijl ik de kleine bevrijd. Jura vindt het maar niets maar neemt moedig haar plekje in, zo dicht mogelijk bij de baas.
Jura

Zen op verkenning.
Op het moment dat ik een wagen van de gendarmerie achter me zie rijden gaat mijn mobieltje. Dat is Lief die me wil feliciteren met mijn verjaardag. Bram neemt op en probeert het ding eventjes aan mij te geven, maar krampachtig houd ik de handen aan het stuur en zeg Marc dat er gendarmerie achter ons rijdt, lastige timing. Wederom wat zenuwen, met 2 dieren los achterin, Bram net op tijd? in de gordel, een mobieltje dat zichtbaar tussen ons in lijkt te zweven en twee geïmproviseerde rijbewijzen in mijn portemonnee. Een van de burgemeester en een van de keuringsarts. Na een 5 kilometer slaan ze af, een zucht en deodorant verspild. Dan dwars door Clermont-Ferrand, en ik ben geen held in grote steden. Niet om te wandelen, te bezichtigen en zeker niet om er met een logge blikvanger doorheen te rijden. Maar ik hoef het niet alleen te doen, koelbloedig en de stad gewend helpt mijn reisgenoot me door de straten. Dan toch vlak voor een groot kruispunt met stoplichten staat daar op de middenberm politie te controleren. Zo af en toe plukken ze een wagen van de weg. Uiteraard, de Blauwe ook.
Het is een leuke bak om te rijden, te gebruiken, maar zeker ook om te controleren, ben al lang blij dat het geen douane is. Het zou niet de eerste keer zijn dat douaniers zich verlustigen op de vergaande controle van zo'n Defender, het zou een goede zijn voor douaniers in opleiding en diens honden. De tig kasten en kisten, vakjes en bakjes, draden en verstopte bergplaatsen, tig sleuteltjes, want alles aan de buitenkant zit op slot. Tot aan de onhandelbare high-jack toe.
Ik vind zelfs 2 kentekenbewijzen achter de zonneklep, die van de Blauwe en de Rode. Plompverloren overhandig ik ze alle twee. Maar geen keuringsbewijs. Had ik nou deo bij me??? Wederom de stres voor dat ontbrekende rijbewijs, de dieren los achterin -Zen ligt chill te slapen terwijl Jura tevreden om zich heen kijkt- en het niet kunnen vinden van dat keuringsbewijs, wat uiteindelijk achter de zonneklep van de passagier steekt. De vriendelijke agent vraagt me naar dat 2e kentekenbewijs en ik flap eruit dat de Blauwe van mijn man is, die andere 4x4 van mij. Zijn ogen vangen Bram's blik en voor hij iets kan zeggen ontschiet me lachend dat hij mijn man niet is. Meneer agent grijnst breed, geeft me de kentekenbewijzen terug en gebaart dat we door moeten rijden.
Dat hebben we dan ook weer gehad. 
Overgangetje van niks, tot er een trein aan komt.
In Saint-Etienne besluiten we de peage even voor gezien te houden. Zo'n mooi stukje binnendoor toeren, het Frankrijk uit mijn jeugd, het land dat mijn ouders ieder jaar weer kozen om met de De Waard tenten doorheen te reizen. (Ze hadden er 2, een kleine voor de kinderen, een grote voor hen.) We passeren de kenmerkende stadjes en dorpen, de warme kleuren van het pleisterwerk, het doffe oranje van de daken, fonteintjes en bloembakken, de kerk met Marie, de bar tabac met boulangerie. Plots die spoorwegovergang. Oud en krakkemikkig. Een slagboompje dat ik er met de 4x4 zonder gas te geven uit zou rijden, net als in de film. Bram zegt net iets over dat zo'n overgang wel niet echt meer functioneel zal zijn. Ik nader en zie een rode lamp gaan knipperen. De slagbomen sluiten zich snel en nog geen paar seconden later raast er een ruime kilometer lege laadwagons voorbij met een snerpend geluid van niet prettig gesmeerd log ijzer.

Het is wat bevreemdend een andere reisgenoot te hebben dan mezelf alleen of met Marc. Al jaren kunnen M&M zulke reizen niet meer maken. Onze dieren gaan voor en huis- en dierenoppas is nog niet gevonden. Het is leuk om het gescharrel in en met deze wagen te delen met iemand die het leuk vind. Ieder z'n dier achterin, eten, drinken, onderdak, alles op die 4 wielen die eigenlijk niet geschikt zijn voor op het asfalt. Een geluid apart, als ook de motor die in de wagen een zangerige toon geeft die kan hypnotiseren. Ik geniet van ieder moment. Gewend aan het passagier zijn, Marc wil niet naast de chauffeur zitten, dan verveelt hij zich, laat ik Bram ook graag rijden. Dan kan ik dromen, naar buiten kijken, Jura een aai geven en kijken naar de kleine kat die genoeglijk ligt te slapen terwijl de zachte oortjes meedeinen met de rijwind dat door de ramen naar binnen komt.
Ik waarschuwde nog; De pedalen zitten dicht bij elkaar. Je trapt dus snel per ongeluk de rem in, in plaats van het gas of de koppeling. Dat moest even uitgeprobeerd worden, per ongeluk... Een vloek vliegt er uit mijn keel en Jura zit bijna op schoot. Zen reageert niet en Bram rijdt lekker verder. Zo'n Defender van 3 ton, vol geladen, is een betrouwbare bak die als tank rustig wil tuffen. Ik krijg een les eco-rijden, dicht achter een vrachtwagen plakken om in die luwte te blijven. Met de voorraadkisten op het dak vangt de wagen veel wind wat de motor extra hard laat werken. Gelukkig zijn vrachtwagenchauffeurs beroeps, aan wetten, regels en gezin gebonden.
Op de peage....
We toeren op ons gemak door Parc naturel regional du Pilat, bochtige wegen, blauwe lucht, een stadje hier en daar, een klein dorp voor een korte stop, om voorbij een kleine spoorwegovergang op de Rhone te stuiten. Daar zouden we weer de peage op kunnen schieten. Maar langs de Rhone blijven rijden trekt aan en we liggen nog op schema. Pas bij Valence gaan we weer vaart maken op het strakke asfalt. De klok tikt af, we hebben tenslotte een afspraak met de eigenaar van dat kleine maar oude rode scheurijzer, die MX5. 
Zo zoeft er 3 uur voorbij. We luisteren naar de muziek. Zeggen ook steeds een tijd niets. In eigen gedachten en vermoeid. Vier uur, nog ruim een uur te gaan als we het boodschappen doen en tanken even niet meerekenen. Fijn om met mezelf te kunnen zijn wat hem ook de ruimte laat. Want op afstand een auto kopen zorgt toch voor knagerijen. Of die auto wel helemaal goed is, getuige de krik achterin om het ding aan de onderkant te kunnen bekijken. Los van de vermoeidheid, de indrukken van die ochtend -gendarmerie en politie- en de zorgen voor een katje dat 2 lange dagen in een auto moet bivakkeren (3, bleek later), zou ik willen dat de peage nooit meer stopt. Dat er geen Middellandse zee bestaat en ook geen Saint Tropez-achtige badplaatsen. Eindeloos doortuffen, gezang van de banden op het wegdek, die witte vierkante achterplaat zonder reclame van de voorganger die de Blauwe in de luwte houdt en stiller maakt. Alleen korte pauzes ergens op een bospad. Tja, dat is dan weer lastig op de peage, ook al doen de firma's hun best er wat van te maken met bomen en struiken, picknick-sets vast geklonken in de grond en een toilet-gebouw dat relatief schoon gehouden wordt door de tol-betaler. 
Sainte-Maxime komt in zicht. We duiken een grote supermarkt in voor wat eten en om de wijn aan te vullen. Rijden dan door naar het adres in zo'n typisch Mediterraanse wijk. De villa's en bungalows zo verdeeld op de helling, dat ze allemaal een klein stukje blauw zien om de waarde van het stulpje hoog te houden. Terwijl je wel ommuurd of omhekt moet zitten met de deuren en ramen op slot en een alarminstallatie en je slee de sportwagen van de buren niet kan passeren op de steile, smalle, slecht onderhouden straat die vaak ook nog eens boulevard genoemd wordt. 
Meneer staat al buiten, de Mazda ook. Meneer noem ik vanaf nu Roze Polo. Zijn vrouw doop ik om tot grijze pluis met een fobie voor alle huisdieren en honden in het bijzonder. Ach, ze is er eerlijk over en te oud er nog mee aan de slag te gaan. Het scheelt dat de kokette hondjes in design-windjack niet los mogen lopen op de boulevard van Sainte-Maxime. Mag van de wet misschien wel, maar van de eigenaar niet. Stel dat het hondje ervan tussen gaat met dat gouden naamplaatje met siersteen erin.
De Blauwe heeft dorst, a 100 liter.
We worden wel zeer vriendelijk ontvangen met een koel drankje en een hapje. Bram is als een kind zo blij, ik haal gelijk die 2 maar van zijn leeftijd af, dan is zijn emotie tenminste plaatsbaar. De mannen nemen de papieren door en Roze Polo vertelt alles over zijn geliefde voertuig waar hij afstand van wil doen omdat ze de wagen niet meer zullen gebruiken aan de rand van Friese meren. Het kleinkind roept.
Zij houdt mij gezelschap en schenkt nog eens bij. Ik zou om water moeten vragen... We moeten zo nog even wat eten. Roze Polo houdt ons niet op, de zon is weg van de rand van het kleinste zwembad ooit, met een stenen rand met onkruid erin. Tijd voor hen terug te reizen naar Nederland, tijd voor ons om de vrijheid terug te nemen. Benauwd krijg ik het van het gebied, de stad, de 'boulevard', het hek om het huis heen en het groen in de tuin dat insluit. 
Ik ga op de echte drukke boulevard ter hoogte van de jachthaven getrakteerd worden om mijn 41ste levensjaar te vieren. Thuis komt het er nooit van. Het is ook weer eens wat anders dan 365 dagen per jaar zelf koken of bij de dichtstbijzijnde vreetschuur bij de artisans aan te schuiven aan de lange houten tafels.
Bram rijdt voorop richting die boulevard. Het is nog geen hoogseizoen, dus veel parkeerplekken vrij. Overgelukkig kan mijn reisgenoot geen keuze maken, die zit letterlijk juichend in zijn rode gevaarte. Ik moet aan het einde van de boulevard de stoute schoenen maar aantrekken en de grof gebouwde Blauwe van ruim 5 meter een lage slagboom doorsluizen om het ding patserig achteruit in te parkeren in een vak dat meer geschikt lijkt voor een ... Mazda MX cabrio. 
We vieren feest op een terras met doorgekookte mosselen waarvan de smaak volledig is overgenomen door bleekselderij. Wat frietjes, nog niet verveeld fris personeel en een bescheiden flesje Chardonnay. Jaja, ik ben jarig en Bram heeft het getal 2 van zijn leeftijd afgesnoept door opeens een rood sportautootje te kopen terwijl hij in de tijd van voor zijn rijbewijs enkel Citroen begeerde. Verleden tijd en toch jonger worden, je eigen lijntjes tekenen in plaats van binnen de lijntjes kleuren. Het kan dus wel, en toch. Ik lach hem breed toe met in gedachte de opmerking van Marc dat men vroeger die auto's 'kuikenlaaiertjes' noemden. Een auto om een chick op te pikken, mee te flirten. 
Patser? Nee hoor, gewoon 'over the moon' met zijn snelle karretje.
De andere wagen is een 2CV!
Tijdens de schemering verlaten we de drukte om in het donker de bergen in te rijden op zoek naar een rustig plekje om wild te kamperen. Dat mag natuurlijk niet. Met enkel een Blauwe kom je op plekken waar niemand je die nacht kan zien. Maar zo'n platte pannenkoek kan niet off-road. Ook het gebied leent zich er niet voor. Bij iedere zijweg staan wel bordjes die je de toegang belemmeren of een gesloten slagboom. Nacht 1 pakt dus anders uit dan gehoopt. Langs een pad net voor een open slagboom ben ik het zat, moe, toe aan rust, kletsen en slapen. Het is een rotplek voor wat ik gewend ben. Het maakt mijn reisgenoot allemaal niet meer uit. Zen moet in zijn bench, die is te ondernemend. Maar miauwt moord en brand, want heeft nog nooit lang opgesloten gezeten en mocht eerst toch ook lekker los chillen? Het gepiep doet hem in de Mazda belanden. 
Whiskey en Wijn. Dat zal morgen wel voor oponthoud zorgen, ook een rit van zo'n 600 kilometer. Wat mij betreft na een apero rond 11 uur linea recta naar huis. Ik hoop het te halen, Bram en Marc doen hun stinkende best het uit mijn hoofd te praten. Eerst slapen, met ver achter de voorruit het vermoeide vechten van Zen tegen het traliedeurtje van de bench.

Etappe 6 start rustig met uitslapen tot 9 uur. Lekker koffie maken in de auto, genieten van het wakker worden in de Blauwe. De expeditiecamper gebruiken waarvoor hij gemaakt is voert me terug naar de vele tochten met Marc. Sentiment beleven in het heden, een jaar ouder geworden, de beleving hetzelfde.
Een uurtje rijden van de zee heeft Renee haar vaste kroeg met terras en zijn we welkom voor een echte kennismaking. Ik ga dus Het terras zien van De stamkroeg en genieten van de ambiance die ze altijd zo haarfijn weet te schetsen op haar weblog. Ik voel me in mijn schrijven zo gesteund en zal ieder puntje kritiek naar waarde schatten. Zo ook de complimenten of opstekers.
De monumentale plataan op het kleine pleintje met terras geeft me rust. We genieten een apero op z'n Frans. Haar lieftallige vind ik innemend en echt, eerlijk, tot op het bot, daar houd ik van, ben tenslotte niet anders gewend met m'n Lief. Na 2 uur is het zo ongeveer lunchtijd, kan ik eindelijk naar de wc sinds een week (zitten en wit brood, u snapt het al) en hebben we pas 80 km afgelegd richting huis, in een iets afwijkende richting. Na nog een belletje met Marc erken ik eindelijk dat de Roadtrip uit 7 etappes zal bestaan en 6 dagen in beslag gaat nemen. 
Wel een herkansing een mooie groene rustige plek te vinden waar je wel een tent neer kan zetten. De slaapruimtes in de Blauwe met hefdak blijven harde platen in een erg kleine ruimte. U mag weten, ook Bram snurkt... Heb ik dat!
Rond 3 uur in de middag rijden we pas le Miditerannee uit. Binnendoor, geen peage, nu een dag extra en Bram in zijn snelle vehikel. We maken afspraken. Want hij heeft geen mobiel, als we elkaar kwijtraken is hij onthand (al zijn spullen en hond zijn in de Blauwe) en ik ben mijn reisgenoot kwijt.
Bij gebrek aan een grote kaart, enkel kleine overzichten op bejaarde tom-tom en een kaartenboek, besluiten we steeds een plaatsnaam in te voeren op onze navigatie en elkaar daar te treffen. 
Het is mijn beurt om de kleine rode op de staart te trappen. 
(Ook sentiment, Marc had ooit een Honda S2000. Motorisch een monster om op de openbare weg te rijden, uiterlijk een ingetogen sportief model. Ik heb zodoende ervaring in het sportieve rijden, daar destijds ook flink gebruik van gemaakt als het ging om het ventileren van emoties. Veel geoefend, veel kleine foutjes gemaakt, maar zonder ongelukken en zonder boetes. Ook racen op de N15 met een andere snelle wagen, niet om te winnen, maar om het samen racen op de openbare weg, in Nederland, plat land. En als je eenmaal 248 per uur gereden hebt, begrijp je gelijk wat voor een gevaarlijke machines het zijn. Na de afgelopen week en de jaren in de slak op wielen leek het me wel wat, dat sportief rijden door Franse bergen en dalen.)
Zodra ik net even gewend ben aan het met je gat op het asfalt zitten, niet meer over voorgangers heen kunnen kijken, het kleine pookje en het intrappen van de pedalen met blote voeten, schiet er een bord voorbij met de tekst 'Gorges du Verdon'. Het duurt een paar seconden eer ik me besef dat ik daar als kind vaker ben geweest. Hoe beroemd deze gorges is. Hoe indrukwekkend de uitzichten zijn. Mijn hart maakt een flinke sprong, mijn grijns wordt onmogelijk nog breder en ik knijp nog maar wat harder in het stuur. ('s Avonds heb ik een blaar.)
Gas op de plank. De bochten alleen netjes nemen als er overzicht is. Dat geluk valt me vaak ten deel, het is rustig zo op een vrijdagmiddag. Wegligging testen, het vermogen trapt bij mij op de rem. Die Honda was mijn dood geweest, of dat van een ander, die kon gewoon te veel. Dit snoepie van een wagen leidt me soepel en verantwoord met hoge snelheid door de gorges. Ik zie af en toe de kisten op het dak van de Blauwe in de achteruitkijkspiegel. Even stoppen om te lachen, uitzinnig te doen, te delen en te juichen. Want in een snelle wagen toevallig door deze gorges mogen rijden is weer een cadeautje.
Een opmerkelijke combi met evenzo opmerkelijke reisgenoten, alle 4.

Race-outfit (denk de slippers even weg, ik race op blote voeten).
Zen kan even de pootjes strekken.
Na een lange pauze op een ruime parkeerplaats met uitzicht op Lac de Sainte Croix, waar we hond en katje bijtanken, even uitrusten van de kick met deze twee bijzondere auto's, foto's maken, Zen de wereld laten zien en andersom, stomen we door richting Avignon. We bevinden ons opeens op de plateaus met enkel lavendelvelden, kort gesnoeid, op het punt nieuwe scheuten te vormen. We slaan vlees, brood en tomaten in voor een BBQ in een Utile en gaan van de route nationale af om een fijne plek te vinden waar we een vuurtje kunnen stoken. Bluswater genoeg in de tanks.
Na zevenen, Bram inmiddels weer in zijn eigen auto, wat Jura maar niks vindt gezien ik het raam aan haar kant open moet laten, snuift ze zijn geur nog eens op, blijkt het vinden van een plek lastig. Het schoot al door mijn hoofd een rommelerf op te rijden tussen de wijndomeinen en rietvelden in, om aan de bewoner te vragen of we een nachtje mogen kamperen. Een camping is mijn eer te na. Het is een volgebouwde en geplande regio met weinig uitwijkmogelijkheden. Terwijl Bram voor me, symbolisch op het hoofd krabbelt, zie ik aan de overkant van het rommelige kruispunt een weg in aanleg, afgesloten met roestige hekken, een open verharde vlakte. Ik stuur erheen, om de bosjes, vuil en een oud pand, waar ik een bungalow zie staan die me aan trailor-trash doet denken. Inclusief blaffende hond en een wat armoedig uitziende dame met kort donker haar die verstoord kijkt als die markante combi auto's het terrein oprijdt, stopt en ik uitstap. Haar bungalow staat voor een oud fabriekspand dat tot manhoogte vol gekalkt is met graffiti. Daarachter zie ik een verwaarloosd veldje waar de Blauwe uit het zicht zal staan. De rode pannenkoek dus ook. 
Boven het verbale geweld van de Mastiff uit vertel ik haar dat we heel de dag gereden hebben, erg moe zijn, die Def een camper is en wij morgen weer op tijd vertrokken zullen zijn. Begripvol vindt de dame het gelijk best, de hond krijgt op z'n lazer dat ie z'n bek moet houden met een sjor in het nekvel. Ze voegt nog toe dat we wel uit het zicht van de gendarmerie moeten gaan staan.
Geregeld.
En zo maken we kamp. Een vuurtje dat BBQ is zodra het donker is, de tent staat in een mum (verleer je nooit) Zen vrij in de auto, Jura naast de stoel in ruste, zelf gemarineerde biefstukjes en wat worstjes op het rooster, een pompelmousse roseetje, hapje brood, lachen en praten. Ik ben voor middernacht zo moe dat ik ter bedde ga. Bram crasht in de tent en het werd stil.
Tijdens zonsondergang kamp maken op een urbex lokatie.
Kamp compleet met BBQ en kampvuur.
Voor eventjes was er ... de stilte. Toen nogmaals een cadeau; nachtegalen! De een zal ze vervelend vinden, maar wakker gehouden worden door zangvogels die het tenminste beheersen -in plaats van mussen, spreeuwen en zwaluwen- is alles beter als gesnurk. .'s Ochtends weer rond 9 uur er (pas) uit. Om 7 uur wakker gemaakt door het getik van de regen, je nog wat keren omdraaien in dat getik is ronduit zalig. Ik moet dan gelijk plassen, dus hup, slapend het hoge onkruid in. Koffie maken gaat opgevouwen in de Blauwe. Ik plaag Bram, diens ogen willen nog niet open, terwijl ik mijn eerste slokjes neem met Zen dartelend door de auto en Jura verlangend op de voorstoel, blijf ik roepen dat er koffie is, af te halen in de kantine. Natte tent in zak proppen na een 2e mok koffie, Alle kastjes dicht, afwas in de opvouwbare teil, Zen in zijn bench onder luid protest en de oliecheck voor we de route uitzetten richting Mende. We laten zijn tomtom de meest directe weg kiezen, binnendoor.
We blijken letterlijk in de voorsteden van Avignon overnacht te hebben.
Oliepeil controleren voor de laatste etappe.
Laatste etappe, nummer 7, een ruime 325 kilometer, in slak op wielen ongeveer 6 uur rijden. Daar komen uiteraard wat pauzes bij.
Route nationale. Rotonde na rotonde. Gelukkig is het zaterdag, weinig vrachtwagens. Ik verlang naar huis. Dat Zen de vrijheid krijgt, dat ik mijn avonturen kwijt kan bij Marc. Dat Bram nog even een nacht blijft plakken om met elkaar thuis te komen en uit te rusten. De mannen hebben ook plannen om te gaan toeren in de Blauwe en Bram verdient een les 'sportief rijden'. Ook voor Marc erg leuk om weer eens in zo'n snelle bak te zitten waar je tenminste hard mee door de bochten kan zonder bang te zijn om te vallen door banden met noppen en bolle wangen. Ook alle spullen uitzoeken, van reisgenoot, van mij, van Blauwe, voor de was en de afwas. (Die doe ik niet in het donker of als het regent...) En een douche, ik wil een warme lange douche.
Het blijft de hele ochtend regenen. Toch treffen we het weer met het doortrekken van het indrukwekkende Parc nationale des Cevennes en de gorges du Tarn. Erg zwaar bochtenwerk in de slak. Zen trekt het niet, die wordt teveel heen en weer geslingerd. Maar ik moet door, neem gas terug, rij als een wit plastic vierkant ding, die ze campers noemen, de bergen op en af. Bram stopt steeds even om op ons te wachten. Hoog in de bergen ligt er een deken van dikke mist, nog meer vertraging.
Ook voel ik een rauwe keel opkomen. Ik heb gisteren in de zon in een cabrio een kou gevat die snel doorzet. De afstand naar huis wil maar langzaam kleiner worden. Ik ben erg moe van alles, maar ook echt alles. En toch is het jammer dat het voorbij is, mijn vakantie loopt ten einde. 
Rond Mende wordt het terrein rustiger, de wegen breder en minder bochten, fijn voor Zen.
Leuk om achter te rijden zeker als de bestuurder nog denkt dat het een 2CV is.
De mist trekt op. We rijden de Aubrac in. Mijn geliefde landschap, een kruising tussen de Schotse Hooglanden en IJsland, de 2 landen die ik ook ambieerde om er mijn thuis te vinden, maar het werd Frankrijk. En dat maakt van de Aubrac een 'knus' oer landschap, wel iets van historische aanwezigheid van mensen, maar verder verlaten. Pure grillige riviertjes, bolders en blokken, stenen muurtjes omzomen de eeuwenoude kleine weilanden nu vol wilde narcissen. De wolken zijn donker en jagen een flinke bui over de uitgestrektheid. De Mazda moet voorzichtig over de modderbanen die dwars over de wegen stromen. Nog even doorbijten en opletten. Vlak voor Laguiole zet Bram zijn auto stil bij het kleinste tankstation dat ik ooit zag. Met 1 pomp en een echte 'Aubracaise' met schort en ik zie Bram zijn voorhoofd afvegen alsof hij van iets vreselijks gered is. "Ik reed op damp!" Ik moet lachen, dat heb je met een 35 liter tank. Toch is hij zuinig met 500 op de teller. Na deze tankbeurt is het laatste stuk in de Mazda voor mij. Ik herken de wegen, de bossen, de kentekens met 12, de sprookjesachtige huizen van natuursteen zonder stucwerk en hun lauze-daken. De lucht breekt open, de zon komt terug nu ik in de Aveyron rijdt. Dat departement dat zo guur en koud is, zo grillig en onvoorspelbaar. Soms zelf vermeden, dan liever die route du soleil. Ik ben thuis. 
Door hem, de kleine Zen, is het allemaal begonnen.
De lage auto over een bospad sturen zonder het chassis te raken is me ook goed afgegaan. De thuiskomst een volgend feestje. Maar mijn koudje heeft doorgezet en is van plan er een licht griepje aan vast te plakken. Het weerhoudt me er niet van ten volle na te genieten van de 24 uur die volgen.
Zen wil spelen, we laten hem daar waar wij zijn, ook buiten. Het katje geniet van zijn ruimte, vrije lucht, groene geuren. 




Sarko
Na een heerlijke zondag-schoonmaakdag met kokkerellen voor P, die weer eens een middagje komt buurten. We hebben geen idee hoe laat Marcel Sarko komt brengen.  Tegen zeven uur in de avond, P al lang weer thuis aan het uitbuiken, nog geen Sarko, geen ronkend gesloten veewagentje, geen belletje, niets.
Vers uit de wei geplukt, hij zag ze nog staan met alles zeggende ogen, zijn zusjes en moeder. Aan halster en touw de donkere enge benauwde wagen in. Het is een eerste voorzichtige zomerdag geweest vandaag, met die nog heerlijk koelende bries die in alle hoekjes en gaten van de gorges kan komen. Ruisend blad, sprankelend water. 
Ik bel Marcel wel even, maar er wordt niet opgenomen. Ze zijn onderweg en Castel slaat een paar minuten later aan. Sarko is flink van de kaart door het abrupte vertrek, weg bij zijn familie en de rit. Marcel heeft hulp ingeroepen en we schudden elkaar kennismakend de hand. Bedremmeld noemt Marcel zijn prijs en geeft wat tips en aanwijzingen, maar summier! Sarko is niet gewend aan een halster, al helemaal niet met daar nog een touwtje aan geknoopt. 
Maar deze stress is onvermijdelijk. Het dier staat doorgezweet, omgeven door honderden vliegen en dazen die wat steekwondjes als happy hour beschouwen, nog enkele honderden verspreiden zich over alles dat warmte uitstraalt. Ook wij mensen moeten eraan geloven. (Dit zijn trouwens vliegjes die nauwelijks post vatten op mensen, bijna geluidloos vliegen ze, zoals vliegen kunnen vliegen, rond je lichaam, geconcentreerd rond je hoofd. Af en toe wuif ik er 1 loom weg die me wel kietelt. De mannen staan ernaar te meppen alsof het steekvliegen zijn. Ben ik nou zo boers geworden?? En vies is het hier niet te noemen.)

U mag weten dat ik goed ben met beesten. Zeker als het mannetjes zijn. Precies zo heeft onze enige poes Sooty, dat kleine zwarte snelle glibberige glanzende duivelinnetje, een sterke voorliefde voor mannetjes en mannen, dus Marc. Zo loopt Sooty ook erg dicht bij Sarko, die haar in al zijn stress niet eens lijkt op te merken. Teefje Castel adoreert Marc, hij kan ook beter met honden omgaan. Een dier commanderen, daar houd ik gewoon niet van. Het beest moet gewoon (huis)dier kunnen zijn
Sarko is een hitsige puber. U mag weten, ik houd mijn hart vast. Ik zal dus gelijk maar duidelijk mijn rol als moeder-ezel moeten claimen. Als ezels iets niet willen of durven, zullen ze het NIET doen. En gelijk hebben ze hoor, prachtig eigenzinnig, helemaal mijn smaak. Wat ze wel in hun kop halen, zal ook gebeuren. Niet goedschiks, dan wel kwaadschiks!
Maar oeps, ik adopteer een puber!! 

De mannen zijn al snel vertrokken en daar staan we dan. Met Sarko helemaal over de ongrijpbare zeik, door gezweet, kan niet eens aan drinken denken, kort aangelijnd aan een oog in de muur van het kippenhok, tussen schuur en terras. Marc heeft met schrikdraadjes, zonder 'factor schrik' bij gebrek aan twee schrikdraad-apparaatjes, een flink stuk van het stalpad afgezet met gevarenlint. Maar een ezel is geen kraai of paard dat een vlucht-respons heeft of schrikt van gekleurd lint. Een ezel heeft een vecht-respons, niks aan te doen. Sarko neemt dazen mee ons terrein op. Nooit gezien hier in het bos, ook niet bij de varkens, daar ook alleen die snelle kleine bosvliegjes die op je huid drinken en van de dode opperhuid willen snoepen. 
Hij is niet te houden zodra hij inziet dat er geen weg terug zal zijn. Bovenop de stress maakt hem dit bokkig koppig, puberaal toch-joh-wellus nieuwsgierig, laat zich door me troosten en wil ook best graag in Marc's benadering geloven. Met geen lekkere wortel voor z'n neus is hij over de goot, zijn tijdelijke stukje bos, te krijgen. Het eerste uurtje worstelen met Sarko heeft ons zelfs van de avondboterham weggehaald. Al het beleg en brood, melk en ham staat open en bloot op tafel. We vergeten terstond dat we ook katten hebben die van de gelegenheid gebruik zouden kunnen maken; DQ, Sooty en Joppie. Maar ieder wezen op deze ferme du bonheur was te zeer opgewonden door de Ieoor, dat alles onaangeroerd bleef tot de schemering inviel. 
Geloof me, we hebben alles geprobeerd om Sarko ervan te weerhouden het terrein te verlaten. Auto's voor het hek zetten, het achterterras op, afgesloten met huis, keuken, muurtje en kot (sprong over het ruime 1,20m hoge hek heen, de plukken haar heb ik er later met verwondering over zijn onbezonnen moed en scherp inschattingsvermogen naar staan kijken. Misschien is het enkel instinct.), korte lijn, lange lijn, lijmen met brood of wortels, z'n zin geven en ruimte. Gevolg? Op een drafje richting hek, waar hij met een beetje wil zich wel langs kan wurmen. Ons voordeel; hij kent ons terrein niet. Misschien nog een vage herinnering van mijn verjaardag, het grote lente uitstapje met ma en zusjes, maar die herinnering wordt nu gemis, in z'n up.
Ten einde raad, nadat Marc per ongeluk een schop in zijn knieholte kreeg en Lief al snel doorheeft dat deze puber een moederfiguur nodig heeft, drijven we hem, zelf nu ook de uitputting nabij, naar de stal. Daar kan de deur -hopelijk- redelijk goed van dicht, wat een ellende! Sarko zorgde gelijk al voor bonje tussen M&M, want Lief wil het linksom proberen en ik juist rechtsom. De confrontatie van in het diepe springen zet mij op scherp en het extra werk en de kosten vliegen Lief naar de keel. Hij heeft gelijk, maar ik ook. 
Door deze zure appel heen, zitten we in het eerste nachtlicht beide met een borrel buiten. We zijn stuk en leunen ons hoofd in onze handen, maar niets helpt. 'Wat hebben we in hemelsnaam gedaan door een ezel te nemen?’ 
Ik ga komende week aanmoederen met het joch, het lijkt de enige oplossing om hem bij te laten komen en een start te maken met een lange gewenningsperiode. 
Oh help, ik ben moeder geworden!


Dag twee start om kwart over zeven als Lief het dekbed van me af trekt . Ik kon (weer eens) niet slapen en dan doet die Nokia wekker het ronduit slecht. Mijn koffie drink ik op tijdens de wandeling naar de stal met een tas met thermoskan, wortels en brood. De varkentjes hebben hun nacht buiten in het stro doorgebracht, voor de deur van de stal. Lardon is erg geschrokken van de agressie van Sarko, nog overstuur, maar hij is het alweer vergeten en komt een back-rub halen en knort genoeglijk. Sarko staat pal achter de deur te wachten om naar buiten te mogen. Maar M&M hebben een lange dag voor de boeg; schrikdraad plaatsen en overal stroom op. Marc moet naar de RAGT en leent een tester om te checken of er wel genoeg stroom op de lijn staat als we deze verlengen met een 250 meter. (Er staat nu 400 meter in totaal, dubbel draad.)
In de nu wèl brandende zon buiten werken is geen pretje. Zeker niet met de delta-daasjes en die ontzettend irritante ik-ga-niet-zitten-maar-zie-je-oren-wel-als-landingsbaan vliegjes. (op de foto zijn alle oplichtende puntjes vliegen) Als je gaat zweten, wat nu onvermijdelijk is, komen er nog meer rond je vliegen. Van top tot teen dus. Ik kleed me van top tot teen aan, Marc kiest voor een ontbloot bovenlijf. Hij wordt lek geprikt, bij mij valt het wel mee, Sarko heeft een trekkende huid, twee enorme oren en een staart om ze weg te slaan.
Een aanslag op ons zenuwgestel is het wel en bij het knopen van het allerlaatste stukje schrikdraad raken we beide per ongelijk de bovendraad en krijgen een dubbel voorproefje van wat Sarko zichzelf nog aan gaat doen. Want zusjes en moeders is hij nog niet vergeten.



de offerte

U kunt het zich vast wel voorstellen. Dat u een vakman c.q. vakvrouw ‘bestelt’ voor het maken van een offerte voor het een of ander. Het is het inkopen van een dienst of service, mensenwerk. Je betaalt voor iets dat je zelf niet kunt doen en in een flink wat gevallen komt de mens bij u thuis om het werk in ogenschouw te nemen, misschien nog wat vragen te stellen, op te meten, kleurkaart achter te laten en wat weken later verslikt u zich letterlijk in de middagthee van wat de postbode voor u heeft achtergelaten naast rekeningen en de blauwe enveloppen; De offerte. (Hier zitten belastingpapieren ongevouwen in waterdicht folie met het logo van de staat, gelukkig zonder marketinggrap eraan vast dat het niet leuker kan, maar wel makkelijker.)
Marc gaat altijd mee als ik het eerste bezoek breng aan potentiële boom- of tuinklant. Nieuwe mensen ontmoeten en meedenken, altijd een lesje conversatie. We hebben een dikke drie kwartier te gaan, maar de tocht wordt toch langer. Een routebeschrijving krijgen aan de telefoon is al een probleem, ons gevoel voor richting puzzelt mee. We zeggen niets en rijden door de tropisch uitziende bossen, wolken, mist en regen. IJzig koud voor eind juni, we zeggen niets en dat wat gezegd wordt gaat over ‘dat huis’ niet kunnen vinden.
Een dikke Mercedes met departementnummer 90 voor de oprit die langs het huis naar beneden afloopt. We denken het beide; ‘Niet van hier, gelikt spulletje, ’t zal hier wel zijn.’ De traditionele poort zit dicht en er ontbreekt iets van een deurbel, maar dat principe kennen we. Het huis lijkt nieuw, maar volledig volgens de oude regionale bouwstijl neergezet.

Ze had het over de telefoon al over hele grote bomen. ‘Ze zijn zo hoog mevrouw, weet u zeker dat we elkaar goed begrijpen?’ We lopen de poort door om op een binnenplaats met nieuw grind te stappen. Een ‘voortuin’ die een sierlijke en smaakvolle mix is van Europese tuinen, er staat van alles wat en planten en bloemen die iedereen onkruid noemt, zie ik niet. De tuin is geen tuin, maar een tuinpark en grootse plannen, horen we later. Ik vind een deurbelknop, hypermodern aan de binnenkant van de stenen deurstijl. Blond regelmatig krullend haar tot op de bovenarmen, verder een klein nog steeds rimpelloos gezicht, slobbertrui, broek. Best mens dat direct begint te ratelen. Ze praat met een voor ons uitstekende articulatie, heeft een berg geduld en begrip, bijna meer vragen aan ons en verhalen over de ruïne die ze hier 10 jaar geleden kochten om een echt ‘buiten’ te hebben in haar geboortestreek.
Het stel, rijk geworden in de immobilié-business, neemt me bijna een verhoor af of ik wel mijn papieren heb en het echt officieel wit wil en kan doen. De hovenier zou het vorig jaar herfst wel ff fiksen, al die essen kort zetten. Op een mooie ochtend begin hij aan de essen voor de vijver, in z’n up. Al klimmend en zagend brak er een tak (meer een boom na 13 jaar) af die zijn dijbeen verbrijzelde. Gendarmerie, pompiers, een elektricien die toesnelde om de man naar beneden te krijgen. Drama. Vandaar, les Parisiennes willen een vakman, zeker weten dat ik verzekerd ben, dat ik het ook echt kan en nog zekerder weten dat ik niet alleen werk.
Drie uur later stappen vakvrouw en personeel rond 1 uur in de Rode, na een snel aperitiefje. We zaten hen duidelijk niet in de weg en frisse jonge vreemdelingen-aanwas is voor Parijzenaren een kans zich wereldburger te voelen in plaats van ongewenst in eigen land. ‘Impressionant’ zeggen we beide. Een snelle rekensom leert; Tegen normaal tarief en mijn werkwijze – rustig, nauwkeurig, professioneel traag? – een 17 dagen klus. Dat zou inhouden dat ik nu echt ronduit nee moet gaan verkopen tegen nieuw werk. Een genoeg-klus en dit houdt ons een twee winters zoet. Ik zie de mogelijkheden om ook eens wat dagen collega’s uit te nodigen, beetje mijn vaardigheden en kennis opkrikken. Marc ziet de fun ervan in en wuift het standaard-uurtarief-rekenen al snel van de hand. 32 rond de 80 jaar oude essen, die al in geen 13 jaar geknot zijn, mogen geknot. Clusters elzen opgekroond, 4 eiken, letterlijk, verzorgen. Oh ja, misschien ook de lindebomen naast de kerk.
‘Die lindebomen zijn van de gemeente, maar die komen hier nog niet eens sneeuw ruimen! We betalen en doen alles hier zelf.’
Dat vind ik niet echt raar. Mevrouw heeft zussen en broers. Haar zus heeft een ander stuk van het gehucht gekocht. Het superstrak gerenoveerd, van de broodoven een gite gemaakt en in juli en augustus zijn ze er wèl. Zo bezit hun familie zo zoetjesaan het gehele gehucht. Er hoeven alleen wat ouderen komen te overlijden. Dat vrijspel komt er niet. Want net als zij, komen de kinderen op latere leeftijd bijna altijd terug. Naar huis, naar hun geboortegrond. Die drang lijkt enorm bij de Fransen.  Maar als je dan een gehucht opkoopt en het in ere herstelt, verwacht dan niet dat de burgemeester je nog een handje helpt. Die kijkt, al leunend achterover, jou in je portefeuille.
De meeste kleine gehuchten zijn armoei troef. Zeker die van deze grote gemeente met het meest saaie, akelige en tijdens de feestdagen een kitscherig versierde kerk in het ‘grote dorp’. Maar dit gehucht is een Aveyronnais idylle. Van top tot teen verzorgt. Van bijna iedere plant en boom kent ze de Latijnse naam en weet wie het geplant heeft, gesnoeid. De liefde voor groen delen we. Het overdadige niet. Aan de volledig geruïneerde schuur is een uitbouw geplaatst. Het heeft de vorm van een zwembad, met drie heel brede dubbele glazen puien. 
Terwijl mevrouw weer druk is binnen, gaan wij kijken, rekenen, inschatten en ons best doen ons te concentreren. Dat valt niet mee met een rattenval waar twee jonge ratjes met schrik in de trillende lijfjes in een hoekje kruipen. Ze duwen tegen het geblokkeerde deurtje aan, de ruimte is net te klein om te ontsnappen. Mevrouw gelooft niet dat dit ratten zijn. Ik vraag meneer om de twee kleintjes zo snel mogelijk af te maken, maar ze denken dat er iets veel groters in het park huist. Vooral rond de vijver en bij de beek. Dus de kleintjes zullen verkommeren, terwijl meneer en mevrouw hopen op een grotere rat. Zij is panisch voor dieren. Reptielen, muizen, de meeste insecten, als het maar niet op een mens lijkt of een lieflijk vogeltje.  We kijken even naar binnen, die glazen puien lonken, want zo’n uitbouw is vreemd, te nieuw en is net even te veel ‘off-topic’. Een zwembad met jacuzzi, een douche en toilet, ligstoelen, kunst en prachtige volwassen planten, design-lampen aan de wanden. Alles op basis van de kleur van zand. Wel ja.
De weelde geeft ons een ambivalent gevoel. Niet dat we dit zouden ambiëren, meer van ‘waarom?’


De Franse kampioen
Via de mannen van Safety Green kwam ik bij dit bedrijf terecht. Een ritje van 650 kilometer. Hoofdzakelijk over de péage tijdens een wel heel warme dag. Ik zag een stuk Route du soleil, de grote borden met de veelzeggende naam Cote d'Azur. Het moest, die péage, want binnendoor gebruik makend van de RN zou me een ruime 5 uur sturen extra kosten, ontelbare rotondes en eindeloze staarten aansukkelen achter vrachtauto's. Inhalen doet de Blauwe niet graag op zulke wegen. Volgeladen als ie was, is het ook geen prettige onderneming om één nachtje in het bos te gaan staan met alle spullen los op en onder de auto in plaats van erin, want daar slaap ik dan, in m'n up. 
Nee, me dan maar voegen in het snelle leven van A naar B, en asap graag.
Een Landrover Defender 110, beladen en gepimpt, heeft het niet naar z'n zin als je harder als 90 wilt rijden. Je zit net boven de zwoegende draaiende delen van de machine op wielen, die wil zijn hitte kwijt. Die stijgt op om bij je rechter kuit de cabine in te stromen. Een gevoel alsof de deur van een heteluchtoven open staat. De zon priemt in mijn ogen als ik probeer te zien of de lifter-met-hoed een meisje is of een jonge vent. De laatste neemt zijn hoed af en probeert hoogte te krijgen van die vrouw in het beest op wielen. Ik heb er lak aan. Misschien een leuke ontmoeting als reizigers onder elkaar en anders toch een verkorting van de reistijd. Een lifter oppikken is afleiding van de lijdensweg.
Alle Ramen Kunnen Open (ARKO) is de enige vorm van airco. Voor ik de volumeknop van de stereo weer opdraai, wijs ik de misschien net 20 jarige de knop voor het bedienen van het raam en de klep die rijwind binnen laat. De zeer verlegen knul met vlassig ringbaardje stelt zich niet voor en zit bijna beteuterd naast me, moet het doen met experimentele jungle van Björk, de hitte, de herrie van rijwind terwijl alle vrachtwagens ons inhalen. Die ergeren zich waarschijnlijk dood aan mijn stugge slak die 85 km per uur toch echt snel genoeg vindt.
Ik probeer mijn dagrit te ervaren als een beproeving die ik moet doorstaan. Een immigratieproef. Heen en terug naar een Frans bedrijf ergens op een droog en kaal industrieterrein. Een loods met aangebouwde portocabins waarvan de luiken gesloten zijn om de zuid Franse woestijnhitte buiten te houden. Te moeten zoeken naar de ingang, een stalen deur met een verbleekt geplastificeerd A4-tje, waarachter zich een open receptie bevindt met opgetutte dames die zich zo te zien stierlijk zitten te vervelen.
Dit alles om een werkbroek met zaagbeveiliging (een ingenaaide zware lap microvezels waar een kettingzaag in een milliseconde op stukloopt) te passen in combinatie met een harnas. 
Ik had geen idee waar ik terecht zou komen en stap volledig verrot van de gejaagde rit over een hel van een tolweg het pand binnen met onder de arm een tonnetje met mijn oude spullen. Ik ga er niet vanuit dat ze Engels spreken en enig vakjargon is me nog vreemd. Het wordt handen en voeten werk, wat ook weer een sloot energie kost. Die hoopte ik te halen uit het drinken van 1 liter water en 2 vruchtensap. Plassen hoef ik niet, het tot me genomen vocht kleeft aan mijn huid, de rugleuning van de stoel en een inmiddels weer bijna droge handdoek die ik kletsnat in mijn nek leg tijdens het rijden.
Fase 2 van de beproeving; mijn verhaal doen, deskundig advies krijgen, passen, proberen (is er in die loods een boom om broek en harnas te testen?) en me eens goed informeren over regels, bedrijfsvorm, verzekering en wetgeving.
Ik bak er niets van, sta na 10 minuten nog uit te zweten, kan nergens de juiste Franse woorden voor vinden en zou bijna een knieval maken voor 1 van de dames die vloeiend en accentloos Engels spreekt en aanbiedt om te vertalen indien nodig.
Een lange man komt na een intern belletje, via een nog onverlichte 'winkel', het kantoor binnen, schudt me de hand en stelt zich voor. Ik hoor zijn naam niet eens, ben wel met iets anders bezig; de beproeving. Wéér doe ik mijn verhaal en beide wat gegeneerd en onwennig lopen we naar de inmiddels verlichte, schaars geoutilleerde winkelruimte. We vatten post tussen twee winkelrekken met klimharnassen speciaal voor bomenmannen. Want al die mooie peperdure spullen worden ontwikkeld voor heren, met herenheupen en taillematen die een vrouw vreemd zijn. Technisch Frans is een drama om onder de knie te krijgen en zeker in een beroepsgroep die jong is, volop in ontwikkeling en half om half ver-Engelsd.
Het contact met Laurent verloopt uitermate stroef. Ik vraag of hij meervoudig Nederlands boomklimkampioen Walter Hak kent. Nee dus, nooit van gehoord. "Maar ik was dit jaar voor de derde keer kampioen" moet hij even nadrukkelijk zeggen. Ik krijg het woord 'felicitations' niet door mijn stroeve droge keel. Geen glas water kan eraf, alsof ik om de hoek woon en fris en fruitig ben.
Ik pas een broek, uiteraard Franse makelij, en hijs me in een harnas. Maak kniebuigingen, snuffel bij de stalen rekken met gadgets, afvangmaterialen, lijnen en carabines om te voelen hoe de combinatie zit, terwijl Laurent een praatje maakt met -weer- een vrouwelijke medewerkster. De man lijkt groupies te hebben en mij a-serieux te nemen. De beproeving roept me tot de orde; Ik ben hier voor mezelf, mijn toekomst, veiliger klimmen, sneller goed werk leveren in mijn eigen regio waar ze die boomverzorging nauwelijks kennen. 
Mijn oog valt op een klimlijn met prusik die door een katrol aan het plafond hangt. De test-boom, das mooi! Ik haak me in en trek mezelf een meter of twee omhoog. Wat gaat dat licht!! En snel!! Het harnas nog niet eens goed aangepast op mijn lijf met de vele mogelijkheden, wiebel ik wat heen en weer en ga ontspannen ondersteboven hangen. Ik heb geen centimeter speling, niets verschuift en ik geniet van dit korte moment vol beloftes om veilig te werken zonder gemangeld uit de bomen te komen komende herfst.
Laurent draait zich even om, blijkt mijn capriolen nauwlettend in de gaten te houden. Ik ben te zeer bezig met 'passen', doe mijn ding en sluit me volledig af voor zijn hooghartige blik, negeer zijn kampioenen-status en de haast zaad-vragende ogen van al die dames. Meneer blijkt een bepaalde status te hebben die mij vreemd is. Le conseiller is tenslotte ook gewoon David en ik blijf de vreemdeling, vrouw in een mannenwereldje. Ik heb geleerd er geen rekening mee te houden, als immigrant kun je gebruik maken van je anders-zijn en zo sneller leren waar je staat. Fouten maken versnelt het integratieproces!
Na mijn oefenklim, trek ik de broek en harnas weer uit, hang en leg alles netjes terug en voeg me weer bij de dames op kantoor, vraag om de catalogus om aan te vinken wat ik gepast en bekeken heb. Informeer naar organisatie's die me zouden kunnen helpen, websites, vraag emailadressen, verschaf hen de mijne, neem tenslotte toch maar een te zoet appelzuurtje uit een grote mand om dan een folder te zien liggen met in grote letters 'Le certificate European Treewoker'. Van het opleidingsinstituut tot European Treeworker.
Laurent heeft zich inmiddels bij ons dames gevoegd en wijst me erop, dat ik die opleiding kan doen. Laat ik dat certificaat nou al hebben sinds een jaar of 5. Grote ogen, ik moet het hem drie keer zeggen, of nu ja, uitleggen in gebrekkig Frans. 
Ik ben onzeker over mijn tutoyeren, zij blijven me allemaal vousvoyeren, wat een afgang. Ik wil zo snel mogelijk afdruipen, heb wat ik moet hebben, gedaan wat moest, wegwezen hier. De koele loods met arrogante zuurstof verruilen voor de hel van die péage, nog 300 km fijnstof en de stank van olie en diesel happen. Dat lijkt een vreemde keuze, zo eind van de middag in de brandende zon van het zo geliefde Franse zuiden, want ik blief die stinkende overvolle hitte niet. Maar de beproeving doorstaan is het voor mij de beste.
Naast de auto op het zanderige kale parkeerterrein denk ik privacy te hebben om de half lange spijkerbroek te verruilen voor een luchtige katoenen korte broek. Helaas, een medewerker in de achterste portocabin staat met de handen in de zakken naar de combi te kijken; blondine naast De Blauwe. NOT, even doorzetten tot de eerst volgende 'Aire' om me daar te verfrissen terwijl ik kijk naar de ijsjes etende meute die wacht tot het restaurant weer open gaat. Mij niet gezien, ik stop mijn kop onder de kraan van De Blauwe, drink een sloot lauw water, ververs de natte lappen over rechter kuit en in mijn nek en 'hit the road'.
(Ik hoor het een figurant uit Tarantino's 'Natural Born Killers' nog zeggen; "The bitch is fucking hot'. Hij heeft het over een 4x4 pick-up die oververhit geparkeerd wordt bij een wegrestaurant aan de Route 66.)

's Avonds laat kan ik pas mijn email even lezen. Warempel heb ik een mailtje van de Engels sprekende medewerkster met een boodschap van de drievoudig Franse boomklimkampioen Laurent met status en groupies. Dat hij erg onder de indruk was van mijn proef-klimmetje en me graag nog eens terug ziet.
Dus toch niet echt een complete afgang en een stimulerende opsteker naast de beproeving die ik doorstond, door me als Nederlandse vrouw in een Franse mannenwereld te begeven. 


Renaissance
Steeds zit ik weer op het bijna eiland van mooi rond gesleten rotsen en stenen. Een eiland dat bij de laagste waterstand geen eiland is, maar als de turbines open gezet zijn in een paar minuten een echt onbereikbaar eiland is met enkel wat grassen en netels, wilgenroos en een verdwaald wilgenstruikje dat krom gebogen toch ieder jaar weer uitloopt, de wortels liggen diep verankerd onder  de rivierbodem. Ieder jaar gaan de eenjarige uitlopers dood door de sterke en veranderlijke stroming en geteisterd door zwaar drijfhout. Bijna dagelijks zit ik weer op een grote kei met de brandende zon op mijn rug en kijk ik gespannen naar die wilde brede rivier op een diep stuk van haar loop door gletsjer water uitgesleten. Ik praat met de snelle stroom die een woest geluid maakt, tot muziek verworden door het water dat al haar registers openzet, van zacht geklok in kolkjes vlak voor mijn voeten, spettertjes op mijn enkels die zacht verkoelen, tot gebulder als een goede basstem. Door die watermuziek kan ik verstaan en het spreekt me moed in. Er is niets beangstigend aan die rivier die ik tot mijn thuis verkoos een 4 jaar geleden. Ook de rotsen, sommige scherp doordat het lavagesteente zich na miljoenen jaren steeds anders uit kan slijten, moet ik op dat vreemde moment een vriend zien te maken. Ze wachten op me aan de overkant een 50 meter ver schuin aan de overkant, daar waar de stroom me waarschijnlijk heen voert. Ik ben alles behalve een slimme rekenaar. Met wiskunde op school was ik redelijk te noemen en hoofdrekenen een drama. Ik moet het hebben van mijn band met de natuur om me heen die me vertrouwd is geworden, maar mijn diploma heb ik nog niet gehaald, een vage berekening die meer berust op vertrouwen dan op wiskunde.
Deze belevenis is het examen gebleken van een proces waar ik niet omheen kon sinds ik me overgaf aan het leven dat mij leeft in plaats van andersom, want hoe ik ook probeer een leven te leven, hoe vaker ik vastloop. Als ik me laat gaan in alles wat het leven me aanbiedt, zo vol vertrouwen in dat ik het aan kan, het dragen kan, voel ik me meer mezelf, het besef dat ik mezelf niet meer verliezen kan, door het leven mij te laten leven. Dit maakt me gelukkig. Intens en vrij.
Castel zit naast me, rust ook uit, maar met pretoogjes en blij gehijg, water genoeg gezien om haar dorst te lessen, al rennend en klauterend over de rotsen, mij steeds het pad te tonen die ook ik op twee benen moet gaan om bij een breed diep stuk van de rivier te komen. Af en toe besloot ik om net boven het water te blijven traverseren wat haar in moeilijkheden bracht. Maar de hond met haar vier brede bospoten en zwemvliesjes tussen de tenen redt zichzelf nog beter als ik. Ik ben geen hondenmens en zal het nooit worden, maar de band met een dier dat bij je blijft en je helpt in zo’n situatie doet wat met me, terwijl die katten ergens liggen te maffen. Ik bekijk snel mijn benen die wat schrijnen als ik spetters voel, water dat stuk lijkt te spatten op de keien. Ik kan inmiddels niet meer van het eiland af, de kleine oversteek over gladde rotsen en stenen was al bijna te link. Mijn verstand blijft me influisteren dat ik uitgeput ben, dit waarschijnlijk op verzoek van al mijn spieren die het al twee uur hard voor de kiezen kregen na het lome, slome zomerse vakantie vieren met drie vrienden. Toch sta ik stijf van de adrenaline, overlevingsdrang en niet als nog levend wrak in de auto op z’n kop middenin een kettingbotsing na 2 cm sneeuwval  ’s ochtends in het donker en de ochtendspits. Ook niet tijdens de verwerking van een misschien dodelijke ziekte na een definitieve diagnose van de specialist die met een professioneel gezicht je het slechte nieuws bracht, overlevingskans 50 %.
Ik ben in gesprek met die rivier, de rotsen en stenen, het drijfhout dat een flinke vaart heeft, opgetild door de massa water net een 50 meter bij de turbines van de EDF. Het is erop of eronder. Ik heb geen canyonning uitrusting aan of bij me, geen helm, hulp of touw. Bij de gratie der goden heb ik crocs aan, nog neppers ook. De rotsen onder water kan ik zien door de golfslag en draaikolken, de losgewoelde modder die het water ondoorzichtig maakt en de zon completeert de ondoorgrondelijkheid van de taal van het water. Ik moet dus meer naar mezelf luisteren dan naar de stroom. Als ik een been breek of mijn hoofd stoot, als de kou van het water mijn hart en longen pakt, ik ben er simpelweg geweest. Hoe zeker kan ik zo zijn als ik het waag, want wagen doe ik het, stroomopwaarts zijn er geen brede diepe stukken meer waar het nog iets minder snel stroomt als hier. Het is oversteken met het risico dat ik het niet zal maken en door mijn geliefde de natuur verzwolgen zal worden. Ik overdrijf niet. Of het is wachten, in de brandende zon met vrienden in huis die toch een keer de drempel zullen nemen 17 te bellen en hulptroepen in te schakelen. Wat ze niet weten dat ik tegen de stroom in ben gaan lopen, omdat aan het einde van de kloof de oversteek risicoloos zal zijn als ik niet al eerder tijdens het traverseren van de rotsen ben gestort met hetzelfde risico als dat ik nu nemen wil door het water in te lopen en me mee te laten drijven naar de overkant in de hoop dat ik nog genoeg kracht in mijn lichaam vind om het ijskoude water mijn ademhaling niet te veel te laten pakken zodat ik nog wat bloed naar die uitgeputte spieren kan sturen. Als ik niet genadig op mijn kloten krijg van deze natuur, die rivier dat meer dat ik liefheb met iedere vezel die ik bezit.  Hulpverleners, pompiers zullen me juist stroomafwaarts gaan zoeken. Als ze me daar moeten vinden leef ik niet meer, dat schat ik ook echt wel reëel in. Het lijkt een uur te duren dat ik daar op die kei zit, uitgeput met nog een sloot aan adrenaline die het tegenover gestelde effect heeft dan fysieke uitputting, een apart gewaarwording moet ik toegeven.
Ik denk hier zo vaak aan terug. Dat moment dat ik een beslissing nam en bijna heelhuids aan de overkant in de verte Castel op de kant zag klauteren, haar luttele 20 kilo spoelde haar verder weg dan mij. Ik roep haar en zodra ze bij me is krijgt ze een net zo natte knuffel als dat ze mij zo vaak heeft willen geven. Toen weerde ik haar alle keren af, nu krijgt ze de omhelzing terug met heel mijn hart en ziel, tophond! Ik denk terug aan het traverseren aan mijn kant van de rivier, de veilige kant met verderop een mobiel, mijn linnen jurk, een fles water en een pakje tabac. Hoe ik daar trillend over mijn hele lijf snel die verkoelende stof van mijn jurk wilde voelen, die mij net even wat bescherming biedt tegen de doorns van de bramen en striemen van de dode takjes, de geseling van het bos aan de overkant waar geen wildpaadjes zijn, want de rotsen zijn te stijl. Ik blijf trillen en na een half uur rust ga ik de korte maar steile tocht aan naar huis, over het stalpad. Ik besef me die middag niet wat het voor me betekent deze beproeving doorstaan te hebben. Het wordt alleen door Marc goed begrepen, die me kent, die weet wat er zich in mij is gaan manifesteren afgelopen jaar, wat begon tijdens mijn twee weken in Nederland tijdens januari.
Velen gaan voor deze renaissance jaren naar yoga. Of boeken dure wellness  vakanties. Of hangen zich op aan een soort guru die ergens ver weg op een kussen zit, aangestaard en aanbeden door een minderheid die het geluk buiten zichzelf zoekt maar al wel weet dat het niet in spullen zit, in materie, maar in het hart. Om nog te ontdekken dat het hun eigen hart betreft dat aanbeden dient te worden in plaats van dat van een ander of die vele loze beloften en mooie wijsheden die ook zij binnen kregen via een weg die de rede niet bevatten kan, net als de mijne.
Dingen, omstandigheden, schijn-bedriegt-eigendommen, schijnveiligheid, gedachten die het handelen sturen en je juist zo op het verkeerde levensbeen zetten. Zelfs de liefde waarvan ik dacht dat deze zo ongecompliceerd, zoet en zacht is bleek een tweede gezicht te hebben dat diezelfde liefde minder mooi maar wel echter en completer maakt, ook al lijkt deze uiterst egoistisch of juist alles behalve exclusief. De maanden alleen afgelopen zomer maakte me niet eenzaam. Ik had ook teveel afleiding, maar al die lieve gasten en vrienden hebben me ook weer dichter naar mezelf gebracht. Met die confrontatie aan de overkant en de brug die ik sloeg door me in de rivier te begeven en mezelf te redden met behulp van een hond en mijn intieme verbintenis met deze natuur, de gorges, de ruigte, de eerlijkheid van een puur leven. Het wordt zo sterk beïnvloed door geld en zogenaamde verzekerde zekerheid  -ook schijn- . Een onzichtbare brug waartoe een onbekende liefde voor mijn eigen leven me dwong om overheen te lopen, te waden, me mee te laten voeren door een oersterke stroom die ook mijn landing bepaalde aan de overkant. Maar ik landde, omdat ik zag waar ik wilde landen in de bron van leven, de natuur, grote vriend en bakermat.
Dat ik mezelf steeds weer voor de geest haal dat ik daar op de stenen zit geflankeerd door een viervoeter, een Lady Vagebond, en diep van binnen al weet dat dit goed zal aflopen voor iedereen en met name mijzelf. Dat ik nu weet dat het de vuurdoop was, het examen, de vervolmaking van een wedergeboorte, une renaissance die me bracht waar ik nu zit; Het punt waarop ik weet dat ik niets meer te verliezen heb dan mezelf en ook dat al niet meer kan na afgelopen jaar beginnende met januari. U hoeft niet terug te lezen, ook ik pas censuur toe op mijn schrijfsels die ik publiceer.

Een 'opnieuw beginnen' is het, wat mijn toekomst ook mag brengen, mezelf verliezen kan niet meer. Innerlijke vrijheid ten top.


14 augustus 2012

Stommiteit
Ann staat te rommelen aan de werkbank in de schuur als ik haar gedag ga zeggen. Ik heb me lekker fris gedoucht na een haast kleverige nacht in klamme lakens. Ja, we zijn weer doorgezakt vannacht. Met drie Britten kan ik er haast niet omheen en het is vermoeiend maar erg leuk om zo verwend te worden. Vorige week verloor ik een vriendschapsarmbandje van de dochter van vrienden die hier wat weken geleden heel even te gast waren. Ontroostbaar ben ik niet, maar ik wil toch mijn best doen het terug te vinden. De duik die ik nam met de Britten in het meer vorige week was de boosdoener en de zware kraaltjes lieten het als een steen zinken en uit het oog verdwijnen, modderig als het was door al dat gespetter van mens en dier (Castel).
Ik neem mijn Crocs mee, een tasje met telefoon, handdoek, camera en flesje koud water. Samen met Castel hobbel ik het stalpad af en ik weet nog niet dat deze mooie zomerochtend de grootste stommiteit ooit zal begaan sinds ik hier woon, nietsvermoedend noemen ze dat. Het riviermeer heeft het laagste peil dat ik ooit zag, het is 10 uur in de ochtend en nog net fris in de schaduw. Het wordt weer een warme dag. Ik trek mijn goed uit en mijn crocs aan, leg mijn tas en kleding in de schaduw tussen de bloeiende wilde munt waar enorme oranje vlinders elkaar bevechten voor de nog frisse nectar van de fijne pluizige bloemetjes. Ik ploeg me door de hoge oeverbeplanting heen naar de oever die nu zanderig steil afloopt, waar normaal water staat als het meer gevuld is. Nu is er dieper gelegen de oude loop van de rivier die kabbelend de stenen beroerd en een rustgevend geruis laat horen. Een reiger vliegt op van één van de dode bomen omdat Castel het nodig vindt te kijken of ze die vreemde vogel op hoge poten misschien vangen kan. Het is heerlijk even stiltetijd te nemen tijdens het gezelschap van drie vakantie vierende gasten die werkelijk alles doen om mij te helpen, me in de watten te leggen en te verwennen met cadeaus en fantastische maaltijden met ingrediënten van uitmuntende kwaliteit, daar waar deze regio toch bekend om staat.

Wonderlijk genoeg vind ik het armbandje met de zwarte kraaltjes heel snel, wat weggedrukt in bijna zwarte modder in de schaduw van een steen en de stroming, het maakt me heel blij en het gemis helemaal goed, maar dit zoeken naar iets materieels vertroebelt ook mijn instinct, mijn voorgevoel waar ik altijd zo prat op ga. Ik spoel het armbandje schoon en doe het weer om, dit keer achter de grove leren armband zodat ik het in het vervolg minder snel zal kunnen verliezen.
Al dagen is het niveau onveranderd laag, meer een rivier dus eigenlijk waar je alleen tot je enkels diep hoeft te waden om de overkant te bereiken. Ter hoogte van m’n huisje 80 meter lager maakt de rivier met zijn rotsige oever en bodem van ronde keien een bocht naar links waar het weer met een bocht naar rechts al eeuwen een weg vindt door de diepe kloof. Alle gele borden met tekst en uitleg en in grote rode letters ‘DANGER’ staan er niet voor niks. Daar waar je bij het water kan komen, niet hier, want alleen een paadje dat de reeën maken kan ons mensen naar het water brengen. Ik heb het oh zo vaak uitgelegd; als ze de turbines open zetten treedt er letterlijk een tsunami-effect op dat zelfs de grootste volgezogen oude bomen die al decennia als drijfhout dienen met zich meesleurt, geen zwemmer zal het overleven als je erdoor overvallen wordt. Ik heb er filmpjes van op mijn YouTube kanaal en daarnaast heb ik vele malen staan bedenken aan dit schitterende stukje van mijn ‘achtertuin’ wat te doen als ik aan de overkant loopt te struinen  - wat ik tot op heden nog maar een paar keer gedaan heb -  en de EDF de turbines open zet. Scenario’s; ik ben altijd zeer alert, ik haal het rennend wel. Of ik klim naar de weg toe  - die nu is weggespoeld – en ga te voet over de asfaltweg. (Daar zou ik minimaal 3 uur over doen.)
Al struinend op crocs met een blije Castel waad ik naar de overkant, zie een ree wegsprinten die Castel gemist heeft omdat ze druk doende is met drijfhout en laaf me letterlijk op dit verder stille plekje dat eruit ziet als een prehistorische scene, een groepje grotbewoners zou hier niet misstaan vissend met speren. Het zachte geruis van water over de keien klinkt opeens ietsjes harder en opeens besef ik me dat ik al te laat ben, de stommiteit is begaan; mijn tas ligt nog tussen de munt en de vlinders (met telefoon!) naast mijn kleer en aan de overkant een paar honderd meter terug. Ik ren over de ronde wat glibberige keien om in de bocht te kunnen zien hoe hard het stroomt. Nog even heb ik de hoop dat de turbines niet voluit open zijn gezet, fout! Ik zit vast, op mijn crocs met drie armbanden om en Castel die nog denkt dat het leuk is, zo wandelen met de baas, poedelen, drijfhout voor een stuk wild aanziend….
Even is er flinke paniek, ik vervloek mezelf dat ik zonder tas en kleer mezelf naar de overkant bewoog al dromend, denkend dat ik een holbewoonster ben ofzo. Ik weet niet wat me bezielde. Nu komt het erop aan. Om te doen wat ik al zovele malen bedacht had als ik me zou laten verrassen door de EDF ondanks al mijn zintuigen op scherp. Ik zal me al traverserend een weg moeten banen en zoeken richting de bruggen, daar waar de twee bergriviertjes samen komen met de berg in het midden uitgehold en gevuld met turbines. Hoe dichter bij dat punt hoe groter de kans dat er een stuk van de rivier ondiep genoeg is om veilig terug te waden om daar dan weer al traverserend naar huis te lopen.
Al snel merk ik dat ik mijn eigen ‘Olympics’ heb gecreerd, hier alleen een heel dun wildspoor dat ik kan volgen met Castel die heel erg op me let en steeds terug komt om te laten zien hoe zij kan lopen, op vier brede poten weliswaar, ik in mijn nakie met crocs aan mijn voeten. (Waar ik de blauwe wolkenloze hemel voor dank!!) De noordelijke oever is veel ruiger en steiler dan de zuidkant, natter en met het vochtige mos van de nacht, de losse rotshellingen waar nog geen mens mij voorging vol met brandnetels, bramen, stokoud dood hout, scherpe lavarotsen met meters en meters onder mij een kolkende rivier. En toch als een holbewoner-op-crocs begin ik aan de slopende tocht naar het oosten om een smal stuk te vinden dat diep genoeg is om het water meer ruimte te geven zodat de stroming minder snel is. Misschien heb ik daar het lef naar de overkant te zwemmen, wat meer ‘je mee laten sleuren’ zal worden, maar a la. Dat zit me heel erg tegen en sommige kliffen die ik onderlangs benader moet ik terug om de helling te beklimmen om aan de andere kant van de klif de oever weer op te zoeken. Ik kan goed zwemmen, ben lenig en sterk, deed wat jaren aan klimsport, maar dit voelt als een tocht op leven en dood, één verkeerde stap en word letterlijk verzwolgen. Nee, het was niet leuk en toch;
Als een lichtvoetig dier op twee poten baan ik me relatief snel een weg langs de oever, omhoog en weer laag half door het water me vast houdend aan de rotsen en stenen, nee, geen mens die hier ooit kwam, dat kan gewoon niet. Ik voel de brandnetels niet en de bramen weet ik te vermijden. Adrenaline en endorfine maken het me makkelijk, ik kan het als een uitdaging zien om via welke route dan ook de overkant te bereiken; mijn thuis waar ik de rotsen wel ken, de stukken waar ik aan de waterkant kan blijven of me het dichte bos in moet wurmen. Bij de aardverschuiving (zie Open naar Frankrijk/Archief april 2012) rust ik even uit en kijk omhoog, het is nog lang niet ‘uitgeschoven’, komende jaren zullen er nog vele rotsen en bomen volgen samen met aarde en zand, misschien nog stukken asfalt die halverwege zijn blijven steken. Ook hier is de doorgang naar de overkant heel smal, misschien een 20 meter, maar te ondiep wat de stroming te sterk maakt en relatief hoge golven geeft. Helaas, ik moet door terwijl mijn benen door de schrik en de inspanning al gaan trillen. Uiteraard liet ik mijn ochtend eitjes voor wat ze zijn, dus mijn lege maag heeft de verzwakking van mijn spieren versneld.
Het is moeilijk te omschrijven wat er door mijn lijf en hoofd gaat die paar momenten dat ik een pauze hield om kracht te verzamelen om verder te gaan. Ik ben al kei kapot als ik bij de aardverschuiving sta en moet verder, een onbekend aantal meters, kilometers? Naar het begin van het lang gerekte stuwmeer en na elke bocht, als ik zicht heb op de volgende in de meanderende kloof zie ik weer die golven, wit schuimend, te ontdiep, levens gevaarlijk! Verder en verder.
Mijn handen trillen, niet een beetje; bloedsuiker tekort en of uitputting. Mijn benen voelen hetzelfde als ik op een mooie grijze ronde rots ga zitten met een natte hondenkop op mijn knieën en ik naar het water kijk. Ik leg mezelf een kwartier pauze op, wat ik niet kan timen, want mijn mobiel ligt een kilometer verderop in een tas in de schaduw en ik draag al 20 jaar geen horloge meer. Ik kijk naar het water terwijl de zon brandt en vliegjes om me heen zoemen in de hoop wat van het zweet te kunnen snoepen. Ik laat ze, maar blaas ze weg als ze uit mijn ogen willen drinken. Dat de hond of Cros dat prima vinden, moeten zij weten, maar ik kan niet tegen de kriebel die het oplevert. Ik voel en denk, ik kijk naar de strak blauwe hemel en kijk naar de stroom, probeer te bepalen of ik het red naar de overkant voor de bocht die een 80 meter verder me het zicht ontneemt over de rest van de kolkende watermassa waar ik langs ben geklommen. Hier is het diep wat de stroming afzwakt, maar dan nog! Castel wil ik me niet laten volgen ALS ik de moed en het gezonde verstand vind hier te water te gaan om de stroom me naar de overkant te laten brengen met enige bijsturing van armen en benen.
Ik denk aan mijn gasten die toch ook wel moeten voelen dat er iets mis moet zijn. Voor mijn gevoel ben ik al uren weg. Wat zouden ze doen? Als ze 112 bellen en mijn spullen vinden  - Ann weet waar ik mijn armband verloor en zal daar mijn tasje en kleding aantreffen. -  gaan de pompiers zeker weten zoeken aan de westkant van het meer richting de waterinlaat die het water oppompt naar het recervoir op de berg waar ik nu onder zit, maar dan wel kilometers de verkeerde richting uit. Ik dwing mezelf dit los te laten, eerst het vege lijf redden. Wat voel ik, hoe voel ik me, wat zegt het woeste water me, het lonkt, want de zon brandt door, mijn lijf is verhit en enige kracht vloeit terug samen met het verlangen naar huis te kunnen om me te douchen, mijn verhaal te schrijven, mijn werk voor deze middag af te zeggen, als ik het haal tenminste, geen idee. Verder stroomopwaarts ziet het er nog slechter uit, ik sta op en ga weer zitten, sta weer op en zet twee onderbenen in het water. Ik draai me om om Castel instructies te geven dat ze ‘moet blijven’, maar mijn hond kent zulke commando’s niet, waarschijnlijk heeft het geen zin.
Ik laat me zakken en zet af, hap naar adem want dit water is erg koud en maak de sterkste slagen die mijn spieren nog aankunnen. Apart genoeg gaat mijn lijf, al happend naar adem, zo diep mogelijk voor wat spierkracht extra, schuin naar de overkant. Recht naar de overkant was het misschien 30 meter, maar zoals de stroom me meeneemt ‘zwem’ ik zo’n 300 meter waar ik als een eend die landt op het water probeer af te remmen om op een droge warme rots uit te rusten. Ik kan me dan pas omdraaien om te kijken naar Castel die misschien piepend en blaffend machteloos nog aan de andere oever staat, zenuwachtig voor de barriere van dat water tussen ons in. Maar ze ‘drijft’ al voorbij, dicht langs de zuidkant en ik moedig haar aan vol te houden. Ze ‘spoelt’ aan een 100 meter verderop waar ze gelijk kwispelend mijn kant op komt om me te begroeten. Ze kijkt heel blij, zou ze ook echt blijdschap voelen en het gevaar onderkennen?? Ik in ieder geval wel. Stomme trut die ik was!
De emoties die nu vrij komen zijn me onbekend. Ik ben zo ontzettend onder de indruk van dit gebeuren. Ik ben al veilig aan mijn kant van het meer, dat is meer dan de helft van het redden van mijn vege lijf, maar dan nog. Ik voel mijn benen amper meer en toch dragen ze me, weer traverserend over de iets minder steile oever. Ik voel me hemels en tegelijkertijd het grootste uilskuiken ooit. Ik voel me sterk en tegelijkertijd ben ik volledig uitgeput. Ik voel me energiek en ziels gelukkig en zo ontzettend dom. Dat de natuur meer een vriend dan een vijand is kan dan wel een vaststaand feit zijn, maar zo dicht tegen de dood aan is dit een ontzettend vreemde gewaarwording. De energie die ik al maanden heb leek versterkt om me veilig thuis te krijgen, ik ben ontdaan en vraag me af hoe ik dit heb kunnen overleven terwijl ik het gemaaide paadje loop naar mijn tasje en kleding waar ik op het handdoekje zak en even niets kan doen. Niet denken en niet bewegen, niet handelen, niets…
Het hele avontuur kostte me maar 2 uurtjes, maar de nawerking een hele dag. Misschien wel langer, dat weet ik nog niet.
Het stalpad ‘all the way up’ naar huis is opeens een eitje. Ik rust niet eens uit, mijn adem zit nog hoog, mijn lichaam voel ik niet, ik ben diep gelukkig en tevens aangeslagen. Ik voel me haast onmenselijk en juist ook weer sterfelijk. Boven vraagt John me waar ik was en in het kort en Engels leg ik hem uit wat me ‘overkomen’ is. Ann is boos en bezorgd en zet me een croissantje en vruchtensap voor en dwingt me om te eten. Ik kan even niets meer, mijn handen trillen en mijn benen weigeren dienst. Na een half uurtje sta ik toch maar op om de zon te ontvluchten en binnen mijn werkgever te bellen dat ik vanmiddag niet kan komen. Morgen ben ik 2x duurder, dus zal ik pas donderdag mijn werk kunnen hervatten. Ik beloof het lieve oudere stel het donderdag allemaal uit te leggen en verontschuldig me. Ze zenden me een ‘biz’ wat me bijna in tranen doet uitbarsten dat ik zonder uitleg zoveel begrip krijg. Mensen zijn bijzondere wezens, allemaal!!
Na een douche en een homp brood zet ik me aan het schrijven. Mijn gasten lunchen en kijken af en toe naar mij om me te peilen. Dat is lastig, want ik voel me heel vreemd, ziek haast. Het enige dat rest is een onuitwisbare ervaring, dankbaarheid dat ik nog leef, een koorts die mijn lijf verzwakt en spieren die aanvoelen alsof ze door de mangel gehaald zijn. Ik kan het niet uitleggen, zeker niet aan mijn lieve vrienden. Ik voel me schuldig, dit had niet mogen gebeuren met gasten die niets hadden kunnen doen als het veel erger was geweest.
Het stomste, of gekste, of … ja wat.. is; Ik lach, ik ben blij, het was en is een diepe ervaring die nieuw voor me is. NIET voor herhaling vatbaar, maar wèl heel waardevol.

Ik ben onder de indruk……….

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen